Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Slotvraag: Waarom schreef Nescio zijn roman niet?: Verband met modernisme

   
   

4.5. Verband met modernisme

           Fragmentarisme is opnieuw een kenmerk dat typerend wordt genoemd voor de literatuur van de modernist, die immers niet meer gelooft in de mogelijkheid een volledige wereld te kunnen bieden. In de loop van deze verhandeling kwamen nogal wat relaties tussen Nescio en het modernisme aan het licht: het verregaande relativisme, het scepticisme en de ironie, het antideterminisme, de voorkeur voor jonge personages, hun toeschouwershouding, het gebrek aan een psychologische verantwoording van hun gedrag, de sterke betrokkenheid op het individuele bewustzijn, de afkeer van de chronologisch-lineaire vertelling en van de alwetende verteller, het gereduceerde handelingsniveau, bepaalde stilistische procédés als het gebruik van de vrije indirecte rede, de bewustzijnsstroom, de variërende herhaling en het leidmotief.

           Deze rijkdom aan overeenkomsten mag ons echter niet blind maken voor de eveneens aanwezige verschillen. Zo mist Nescio het cerebrale dat schrijvers als Thomas Mann, James Joyce, E. Du Perron of André Gide kenmerkt. Nescio is té sceptisch om zich aan ernstige intellectualistische betogen over te geven. "'k Heb een hekel aan wijzen, ze kunnen ze voor mijn part opzetten." [1] schrijft hij niet voor niets aan Agnes Maas-Van der Moer. Ibsch en Fokkema menen: "De Modernist 'voelt met zijn verstand' (Pessoa)." [2] Over Nescio zou ik eerder zeggen dat hij denkt met zijn gevoel: zijn reflecties en beschouwingen zijn sterk afhankelijk van stemmingen; de nuchtere en ironische distantiëringen lijken er in de eerste plaats op gericht om een te grote gevoeligheid te vermijden. Van Nescio zou ik nooit beweren dat hij "te cerebraal (is) om de gevoelens van het hart te laten prevaleren." [3] Zijn literatuur is weliswaar wars van iedere sentimentaliteit, maar niettemin doordrongen van diepe emoties.

           Volgens de opvattingen van Ibsch en Fokkema schrijven de modernisten "voor een ontwikkeld lezerspubliek. Zij kunnen het zich veroorloven om, naast verhalend proza (waarin het 'verhaal' dikwijls van ondergeschikt belang is) en intellectualistische poëzie, essays te schrijven die hoge eisen stellen aan de lezer." [4] Nescio daarentegen schrijft - hoewel hij net als heel wat modernistische auteurs lange tijd 'a writer's writer' kan worden genoemd - steevast toegankelijke, voor ieder verstaanbare taal. Bovendien laat hij zich, in tegenstelling tot de als modernistisch herkende auteurs, die "een grote hoeveelheid commentaren (hebben) geproduceerd" [5], zeer zelden uit over eigen of andermans werk. Wat dat laatste betreft kunnen we eigenlijk alleen maar een stukje uit 1947 aanhalen, waarin hij het op een losse, amusante toon over Cervantes heeft. Wanneer men hem naar aanleiding daarvan aanmoedigt "nu ook eens over die andere lui" te schrijven, luidt zijn vastbesloten antwoord: "Ik denk er niet aan." (Belijdenis, p.605).

           Wel heeft Nescio zich, zonder namen te noemen, meer dan eens ironisch uitgelaten over de opkomende moderne kunst uit zijn tijd (natuurlijk niet zonder meer gelijk te stellen aan 'modernisme'). In Titaantjes bijvoorbeeld staat het vertellersperonage ronduit honend tegenover de ideeën van de schilder Hoyer over een 'nieuwe kunst':

"Hij weet ook waarom hij niet meer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst is in opkomst. Daar wacht-i zeker op." (p.67)

In de eerste versie van dit verhaal laat Nescio zijn figuur Bavink spotten met de moderne schilderkunst en -kritiek:

"Met een klein beetje verf had ik er zoo en buitengewoon modern ding van kunnen maken. Zeg eens kun jij geen schilderijencriticus worden? (...) Ik weet al vast een mooi woord voor je dat je gebruiken kunt. Strevingen (...)." (p.491)

In 't Getal van het Beest wordt hierin nog verder gegaan:

"De geleerde en scherpzinnige criticus schreef over 'een ernstig streven' en over de 'Zerrissenheit' van onzen tijd, die in de kunst weerspiegelde. (...) 't Meest treffend was 't gebruik dat hij wist te maken van de woorden 'cerebraal' en 'bezonkenheid' en wat hij zei over de kunst der toekomst, die uit een chaos geboren moest worden." (p.529)

Dergelijke opmerkingen getuigen van Nescio's minachting voor kunstenaars met de pretentie vernieuwing te brengen. Afgaand op een uitspraak uit de inleiding bij Een goeie jongen, lijkt hij zelfs niet te geloven in de mogelijkheid daarvan: "(...) ik stel mij niet voor dat het iets nieuws zal worden. Alles is al zoo vaak gezegd - ook dit." (p.392). Dat Nescio's proza niettemin de indruk maakt zijn tijd vooruit te zijn geweest, zal dan ook eerder verband houden met het negeren van eigentijdse conventies dan met een bewuste intentie tot modernisering.

           Nescio's lectuurkeuze is over het algemeen uitgesproken negentiende eeuws: hij leest Dickens, Balzac, Zola… Auteurs die vandaag tot het Europese modernisme worden gerekend, zijn er niet bij. Toch mist Nescio net als zij "het vertrouwen in de mogelijkheid van een sluitende verklaring en een volledige beschrijving van de wereld dat de grote Realistische romans van de negentiende eeuw kenmerkt." [6] Al lijkt Nescio's verregaand relativisme evenzeer (zo niet vooral) uit zijn persoonlijkheid voort te komen als uit het veranderde mens- en wereldbeeld van de twintigste eeuw, het leidt ertoe dat zijn literatuur in tal van opzichten een modernistisch uitzicht aanneemt, dat mede bepalend kan zijn geweest voor de late appreciatie ervan.

   

[1] Brief van 1 augustus 1919.  In : E. Endt, 'Herkenning en misverstand', p.424.

[2] D. Fokkema en E. Ibsch, Het Modernisme in de Europese letterkunde, p.29.

[3] Idem, p.45.

[4] Idem, p.29.

[5] Idem, p.43.

[6] Idem, p.11.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina