Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Nescio, zijn tijd vooruit: "Ik ben eigenlijk geen schrijver": houding tegenover het literaire bedrijf 

   
   

1.4."Een nieuwe kunst is in opkomst." [1]: Nescio als modernist?

            Eén ding is dus duidelijk: Nescio past niet in het Nederlandse literaire landschap van zijn tijd; er moeten tientallen jaren overheen gaan vooraleer het Nederlandse publiek in staat is zijn fragmentarische en eigenzinnige oeuvre werkelijk te appreciëren. Wat gebeurt er echter wanneer we onze blik verruimen en de vraag stellen naar Nescio's plaats in de Europése literatuurgeschiedenis? Is die nog steeds even problematisch?

            De Engelse schrijfster Virginia Woolf beweert: "On or about 1910, human character changed." [2] De jaren tien, waarin Nescio's verhalen De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje het licht zien, vormen inderdaad een kritiek moment in de geschiedenis van de westerse cultuur. Al aan het eind van de vorige eeuw vallen er op diverse gebieden ingrijpende veranderingen te noteren, die het denken aan het begin van de twintigste eeuw in sterke mate hebben beïnvloed. Er vindt een explosie plaats van nieuwe uitvindingen en ontdekkingen op zowel wetenschappelijk als technologisch en pschychologisch vlak. De voortschrijdende industrialisering en enorme groei van de steden leiden, in combinatie met de vele politieke kloven die er rond die tijd in Europa ontstaan, tot een gewijzigd klimaat waarin heel wat traditionele waarden op de helling worden gezet. De Eerste Wereldoorlog tenslotte betekent een breuk met de westerse humanistische traditie. De mythe van de culturele superioriteit van het Westen wordt vernietigd door de onverwachte wreedheid van het 'beschaafde' Europa. 

            Ook enkele denkers hebben hun bijdrage geleverd aan een veranderd mens- en wereldbeeld. Reeds vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw slaat Nietzsche als 'filosoof met de hamer' traditionele waarden onbarmhartig tot puin. Met zijn bekende uitspraak "God is dood" neemt hij definitief afscheid van de theocentrische wereldvisie, die al met Darwins Origin of species van 1859 op losse schroeven was gezet. Een gevoel van betrekkelijkheid wodt versterkt door de ideeën van de Amerikaan William James (1890: Principles of Psychology, 1912: Essays in Radical Empiricism), die benadrukt dat de werkelijkheid geen objectief gegeven is, maar subjectief wordt waargenomen door het bewustzijn (hij lanceert de term 'stream of consciousness'). Erg invloedrijk is natuurlijk ook Sigmund Freuds Traumdeutung uit 1900 : zijn ideeën over het onderbewuste relativeren het rationalisme dat sinds de Verlichting het westerse denken heeft beheerst. In Frankrijk reageert de filosoof Henri Bergson tegen de rationalistische traditie door het beklemtonen van de rol van de intuïtie in plaats van de rede in het menselijk bestaan. Hij wijst op het belang van het geheugen en de subjectieve tijdservaring in onze waarneming van de werkelijkheid (ondermeer in zijn Essai sur les données immédiates de la conscience van 1889).

            Kortom: er is heel wat in beweging en het spreekt voor zich dat dit ook de literatuur niet onberoerd laat. Een aantal schrijvers uit de eerste decennia van de twintigste eeuw houden weliswaar vast aan de realistische of naturalistische vertelwijze (bv. Arnold Bennett, Georges Duhamel, Roger Martin du Gard, Gerhart Hauptmann), maar tegelijk volgen de avant-gardebewegingen elkaar in de tijdsspanne tussen 1910 en 1940 bliksemsnel op : futurisme, kubisme, dada, constructivisme, surrealisme... Daarnaast is er een stel auteurs dat tot geen van deze stromingen behoort, maar desondanks als erg belangrijk wordt ervaren.  Schrijvers als Marcel Proust, James Joyce, Virginia Woolf, Thomas Mann, Robert Musil gaan liever hun eigen weg dan zich achter programmatische manifesten te scharen.  Toch wordt vandaag door menig literatuurwetenschapper achter hun eigenzinnigheid een onderlinge verwantschap opgemerkt. Meer dan eens worden zij samengebracht onder de noemer 'modernisme'. Over de exacte inhoud van dat begrip is er heel wat discussie, en het is wellicht noch mogelijk noch echt interessant tot een sluitende definitie te komen. Het categoriseren van schrijvers in hokjes heeft onmiskenbare nadelen, zeker wanneer die hokjes te scherp afgebakend zijn. 

            Wanneer in deze verhandeling het woord 'modernisme' wordt gebruikt, ga ik in hoofdzaak uit van de betekenis die daaraan gegeven wordt door Douwe Fokkema en Elrud Ibsch in de studie Het Modernisme in de Europese letterkunde (1984). En het woord zal meermaals vallen, want het kan interessant zijn terloops na te gaan of er raakpunten bestaan tussen bovenvermelde auteurs en die andere eigenzinnige, moeilijk te localiseren schrijver - Nescio. Het kan dan ook nuttig zijn even wat langer bij de opvattingen van Fokkema en Ibsch stil te staan.

            Fokkema en Ibsch merken op dat de Nederlanders Ter Braak en Du Perron tot de eersten behoren die de zogenaamde modernisten uit de buurlanden als groep hebben herkend.  In beider geschriften treft men al in het begin van de jaren dertig combinaties aan als Proust, Joyce, Larbaud, Virginia Woolf, of Mann, Gide en Huxley. Ter Braak en Du Perron zouden bovendien hun bewondering hebben geuit voor precies dié eigenschappen van hun literatuur, die als typisch modernistisch worden beschouwd.

            Als misschien wel hét grondprincipe van de modernistische literatuur zou men een diepgaand relativisme kunnen noemen. Dogmatische zekerheden en definitieve verklaringen maken plaats voor twijfel en scepticisme. De modernistische romancier gebruikt bij voorkeur vertellers die niet alwetend zijn, maar zelf op zoek gaan naar de waarheid, waarbij hun oordeel niet als onfeilbaar wordt gerepresenteerd. De betrekkelijkheid van het persoonlijke standpunt kan worden onderstreept door gebruik te maken van ironie of door een vermenigvuldiging van vertelperspectieven.

            Als gevolg van een gebrek aan vertrouwen om een volledige wereld te kunnen beschrijven, neemt het proza vaak een fragmentarische vorm aan, waarin afstand is genomen van het conventionele begin en einde zowel als van de chronologische presentatie van de gebeurtenissen. Het modernistische proza zoekt het sowieso niet zozeer op het niveau van de gebeurtenissen en handelingen, als wel op het niveau van de intellectuele beschouwingen, de gedachtengang van verteller en personages. Vandaar ook de voorkeur voor de dialoog - de wisseling aan standpunten werkt daarbij sterk relativerend - en de toeschouwershouding van de 'held', die, eerder dan zich direct te engageren, iemand is die observeert, oordeelt, afweegt.

            De personages worden bovendien niet meer zoals in het realisme en naturalisme beschreven aan de hand van de determinerende invloed van de omgeving. Vaak ontbreekt een psychologische verantwoording van hun gedrag (zie bv. de 'action gratuite' van Gide).  Wel kenmerkt het modernisme zich door een sterke betrokkenheid op het individuele bewustzijn, dat in voortdurende beweging is en de chronologische volgorde van de gebeurtenissen door elkaar gooit (bv. in Joyce's Ulysses).  Al wat er gebeurt wordt gepresenteerd door de filter van het bewustzijn. In To the Lighthouse van Virginia Woolf bijvoorbeeld worden de gebeurtenissen volledig ondergeschikt gemaakt aan de verschillende manieren waarop men zich ervan bewust wordt. Het is opvallend hoe verscheidene modernisten een voorkeur vertonen voor de beschrijving van het gevoelsleven van kinderen en adolescenten : o.a. Joyce, Proust, Du Perron en Vestdijk schrijven over bewustzijnstoestanden die nog volop in beweging zijn.

            De modernist ervaart de bestaande literaire conventies als ontoereikend en gaat daarom op zoek naar nieuwe vertelmethodes en -structuren. Bepaalde stilistische procédés vinden we bij meer dan één terug : ondermeer de bewustzijnsstroom (door Valéry Larbaud gedefinieerd  onder de naam 'monologue intérieur'), het gebruik van de vrije indirecte rede, de variërende herhaling en het leidmotief. Toch kan er moeilijk worden gesproken van een volledige breuk met de traditie, daar meer dan eens wordt teruggegrepen naar motieven en verhalen uit de mythologie en oudere literatuur (bv. in Ulysses van Joyce en Doktor Faustus van Thomas Mann). Dat gebeurt wel vaak met een zekere ironie. Ironie is tevens een geliefkoosd stijlmiddel om te wijzen op de ontoereikendheid van de taal bij de beschrijving van de wereld. Ondermeer Joyce en Virginia Woolf leggen een dergelijke taalscepsis aan de dag.

            Bij de behandeling van het Nederlandse modernisme noemen Ibsch en Fokkema Menno Ter Braak, Edgar du Perron, Simon Vestdijk en Carry Van Bruggen. Er wordt opgemerkt dat het Nederlandse publiek de modernistische vertelwijze slechts met vertraging heeft aanvaard. Om die reden bewerkt Vestdijk in de jaren dertig het basismanuscript van zijn Kind tussen vier vrouwen in realistische zin. Kan de late appreciatie van Nescio, in 1968 door C. J. Kelk een "meester-voorloper van het moderne proza" genoemd, in relatie staan tot een mogelijk modernistisch karakter van zijn literatuur? Bij de behandeling van zijn oeuvre zal meermaals bij deze vraag worden stilgestaan.

   

[1] uitspraak van het personage Hoyer in Titaantjes, p.67.

[2] 'Mr. Bennet and mrs. Brown' (1924).  In : V. Woolf, The Captain's Death Bed and Other Essays.  New York, Harcourt etc., 1950, p.96.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina