Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Uitgangspunt : Natuurdagboek: Observatie van de natuur: schildersblik en mysticisme

   
   

Observatie van de natuur: schildersblik en mysticisme

             Aanvankelijk zijn de aantekeningen per dag erg kort en blijven ze vaak beperkt tot een opsomming van de plaatsen die hij heeft bezocht, dikwijls gecombineerd met mededelingen over het weer. Bijvoorbeeld: "Donderdag. Groningen via Stavoren. Zomer. Zon in NoordZeekanaal. Edam, Hoorn, Enkhuizen, Hindeloopen, Workum. Wazig."  (4 april 1946, p.9). Vanaf het begin vallen echter ook de kleine details op die tussendoor worden genoteerd.  Zoals op 19 maart  1946 : "(...) en in Kortenhoef een citroenvlindertje." (p.9).

            Stilaan worden er meer gevoelens gekoppeld aan het waargenomene.  De notities per dag worden langer en persoonlijker. Tussen de geografische aanduidingen schitteren zinnen met een sterk lyrisch karakter. De poëzie van dergelijke zinnen schuilt in de eenvoud ervan, die de dingen in hun kern raakt. Door het suggestieve karakter van de woorden, de buitengewone aandacht voor het kleine, alledaagse, en de soberheid van de stijl, viel mij een gelijkenis op met de Japanse haiku-poëzie. De haiku-dichter tracht, via een sobere beschrijving van een aspect van de natuur waarmee hij zich in harmonie voelt, een diepe ervaring over te dragen, en achter de tijdelijke veranderingen in de natuur de eeuwigheid en te ontdekken. Ter vergelijking :

Een bliksemstraal ! - en

de kreet van een nachtreiger,

vliegend in 't donker.

(Basho)

 

"De schreeuw van den reiger in den laten avond" (20 maart 1954, p.346)

 

De bliksem flitste -       

door een opening in 't bos

wordt water zichtbaar

(Shiki)

 

"In eens hoog in de lucht in een verre inzinking tussen twee duintoppen een klein stukje hel zilveren zee." (30 augustus 1950, p.132)  

 

Alweer een vogel

verstoort het lentewater,

spetterend opvliegend.

(Seiho) [1]

 

"Zes zwanen zwommen van mij weg het meertje op, zes heel witte halzen weerspiegelden." (5 september 1952, p.259)

            Grönlohs beschrijvingen zijn direct en pretentieloos, maar tegelijkertijd uiterst bezield, met details waaruit de liefdevolle blik van de schrijver spreekt :

"Het pluisje (dreef zachtjes door de lucht, wit)" (23 augustus 1951,p.187)

Zijn blik is, zoals Zwolsman het zegt, die van een schilder, wanneer hij bijvoorbeeld schrijft :

"Les cinq arbres met hun weerspiegeling in de Amstel als de mooiste Chineesche prenten. Op den terugweg de onaardsche populieren tegen een vurige oranje lucht, waarboven een grijze koepel, hun topjes tegen het blauwgrijs, rechts daarvan de lucht wat bleeker oranje met nog een paar onaardsche populieren om een dak." (5 maart 1950, p.105)

En hij gaat tegelijk dieper, omdat het niet enkel een waarneming van kleuren en vormen betreft, maar tevens een poging de alledaagsheid te overstijgen door een versmelting met de waargenomen natuur.  De momenten waarop een dergelijke harmonie wordt bereikt, worden aangeduid met woorden als "Hoogtepunt", "'Top'avond", "Opstanding" of "Vervulling". Het zijn momenten waarop Grönloh erin slaagt zich te verheffen boven het voorbijgaan van de tijd, waarop achter de wisseling van dag en nacht, winter en zomer, de eeuwigheid wordt waargenomen. Die eeuwigheidservaringen worden op hun beurt verbonden met God. Grönlohs godsgevoel heeft weinig te maken met het geloof in een bepaalde religie; hij heeft het over 'God' wanneer de woorden tekort schieten om te beschrijven wat er door hem heen gaat als hij in aanraking komt met de grootsheid van de natuur.  

"Aan de haven volle maan laag boven de leegte waar alleen Gods geest zweefde." (17 juli 1951, p.176) 

"IJle, bespreide kale boom op het pad tusschen de Vink en het Merwedekanaal tegen een zilveren lucht, toen was 't net of ik bad." (16 maart 1950, p.106)

"God die eindelijk tot iets is gekomen." (31 oktober 1952, p.265)

"Een groote ochtend. Geheel opgenomen in God." (11 juni 1951, p.168)

            Tijdens dergelijke begenadigde ogenblikken wordt de materiële werkelijkheid getranscendeerd en wordt er iets aangevoeld dat de zintuiglijke waarneming te boven gaat.  De dingen verschijnen dan als "onstoffelijk", "onaardsch", "onwereldsch", "irreëel", "immaterieel",  ze zijn "plaatsloos", "tijdloos", "eeuwig"  en "algemeen". Dit zijn sleutelwoorden die gedurig terugkomen. Tevens wordt er meer dan eens verwezen naar hun nieuwheid en onaangeraaktheid, die doet denken aan het begin van de schepping :

"Lage zon boven water, la création du monde" (12 juni 1950, p.119)

"Overal de eerste dag en de geboorte van Venus." (7 december 1951, p.209)

"La création du monde : de wereld uit de Maas opgestegen." (24 april 1952, p.229)

"Volslagen maagdelijke wereld en beslotenheid." (2 mei 1952, p.231)

De ongereptheid en maagdelijkheid waarin de dingen verschijnen creëren een gevoel van verwachting, verlangen, de hoop op iets nieuws, beters, al is niet helemaal duidelijk wat :

"En er gebeurde niets, het zag er allemaal uit of er iets zou gebeuren." (12   december 1951, p.210)

"Iets nieuws begint (?)." (7 en 8 mei 1953, p.287)

"Ontroerende ochtend, kort maar met groot verlangen." (25 september 1953, p.321)

"Alle boomen in stille afwachting." (29 oktober 1953, p.329)

Grönloh heeft het meer dan eens over een gevoel van versmelting met het landschap, een opgaan in deze mysterieuze wereld, gepaard gaande met een verlies van ieder besef van tijd, plaats en identiteit. Een gevoel op alle plaatsen en in alle tijden tegelijk te zijn :

"Gevoel alsof ik OVERAL was." (11 oktober 1946, p.22)

"Alle Augustusmaanden waarden om mij heen en Beluchistan, Yorkshire, 't Lake district, Sichem, de Gortelsche bosschen." (17 augustus 1951, p.185)

"Een reis door alles in 2 uur." (12 oktober 1953, p.324)

"Deze heele wereld was eigenlijk plaatsloos en tijdloos en zonder naam en ik ook." (3 januari 1952, p.215)

"Weg zoogenaamde wereld, ik was in eens in alle provincies tegelijk (...)

De jonge blaadjes dwarrelden door m'n 'ziel', die zo groot is als Nederland." (13   en 14  april 1952, p.226)

Naast de momenten van groot verlangen is er hier en daar ook sprake van  'vervulling':   

"Even was toen alles tot iets gekomen." (12 juni 1950, p.119)

"Eén moment van volkomen rust en voldaanheid." (30 augustus 1950,   p.132)

"Even de vervulling." (15 april 1952, p.227)

"Het bestaan komt tot een zin." (5 juni 1952, p.238)                                                                                                      

            Heel vaak wordt de kortstondigheid van deze ervaringen aangeduid : woorden als 'even' en 'één moment' zijn vrij frequent. Uiteindelijk zijn ook de momenten van tijdloosheid vergankelijk, daar maakt Grönloh zich geen illusies over.Dit blijkt bijvoorbeeld uit de aanwezigheid van het woordje 'als' in de zin: "En stil en ver en als onveranderlijk." (31 oktober 1952, p. 265) of uit een paradoxale woordcombinatie als "De vliedende bestendigheid" (18 september 1953, p. 319).

   

[1] Haiku's uit : J. van Tooren, Haiku. Een jonge maan. Japanse haiku van de vijftiende eeuw tot heden.  Keuze, inleiding en vertaling door J.van Tooren. Amsterdam, Meulen-hoff, 1973.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina