Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Uitgangspunt : Natuurdagboek: Vlucht in een naamloze wereld  

   
   

Vlucht in een naamloze wereld

              Hoewel Grönloh uit een dergelijke natuurbeleving zijn troost en levenskracht put, lijkt hij zich voortdurend bewust te zijn van het illusoire karakter van de wereld zoals die zich aan hem openbaart.  Of beter: hij beseft dat niet iedereen de wereld op die manier kan ervaren, dat zijn waarneming uniek is. Van het begin af aan heeft Grönloh het in zijn dagboek geregeld over het verlaten van de 'gewone' wereld, stilaan ook steeds vaker over een 'eigen' of 'zelf gemaakte' wereld:

"Mooie, volle dag, waarin de gewone wereld verdween." (2 mei 1950, p.110)

"Tooverwereld, buiten de wereld." (17 oktober 1951, p.203)

"Geheel onttrokken in een eigen wereld." (12 oktober 1953, p.323)

"Aldoor gevoeld alsof ik deze wereld speciaal voor mezelf had gemaakt." (10 november 1953, p.331)

"Weer eens het gevoel dat Amsterdam van mij was en dat ik 't zelf had gemaakt (wat ook waar is, want niemand ziet 't zoo)" (10 juli 1954, p.366)

            Steeds meer krijgen we de indruk dat de auteur zijn wandelingen maakt met als doel de werkelijkheid te ontvluchten door de geliefde natuur in zijn verbeelding om te vormen tot een eigen immateriële wereld. Het is een wereld vol mysteries en tegenstellingen als "begrensde onbegrensdheid" (7 en 8 mei 1953, p.287) en "vliedende bestendigheid" (18 september, p.319), en die daarom noch kan worden begrepen, noch goed onder woorden gebracht of bij een naam genoemd. Een wereld waarover men niet hoort na te denken, maar waaraan men zich eenvoudigweg dient over te geven, want "Hoe kan iemand 'diepzinnig' willen zijn, als zulke werelden zoo maar je oogen binnen komen, met koeien en al." (10 november 1953, p.331). Grönloh heeft het meermaals over "het landschap zonder naam" of de "wereld zonder naam".

            In een poging om de mysterieuze, toverachtige sfeer toch te verwoorden, neemt de auteur geregeld zijn toevlucht tot verwijzingen naar de mythologie :

"Tooverwereld, buiten de wereld. Jupiter weidde z'n koeien voor het laatst in de goudachtige weiden (heel stil met hun koppen naar beneden), morgen gaan ze den Olympus op." (17 oktober 1951, p.203,204)

"(...) de geboorte van Venus" (7 december 1951, p. 209)

"Dat pad heette te gaan naar het Parkherstellingsoord; maar dat was beslist een leugen, het kon alleen gaan naar een meertje met nymphen." (13 en 14 april 1952, p.226)

"Begreep in eens de Griekse mythologie met al die dartelende en spartelende nymphen, die nooit rheumatiek en longontsteking kregen." (8 oktober 1954, p.378) 

            Verder maakt Grönloh gebruik van enkele citaten en nep-citaten, waarvan sommige door het hele dagboek heen blijven opduiken, zodat het op den duur een soort codewoorden worden, die automatisch met een bepaalde sensatie worden verbonden. Zo is er een zodanig veelvuldige terugkeer van het zinnetje "Et tout d'un coup, d'un fol éclat, s'en va mon coeur", dat het weldra volstaat slechts de eerste woorden ervan neer te schrijven (bijvoorbeeld op 16 januari 1951 : "Et tout d'un coup etc.", p.147). De herkomst van dit 'citaat', dat gebruikt wordt om een plotse, hevige vreugde aan te duiden, werd niet gevonden; waarschijnlijk gaat het om een eigen verzinsel. In het prozafragment Amsterdam l'incomparable, dat we in het eerste deel van het verzameld werk aantreffen, geeft de auteur immers zelf toe: "Als ik een citaat geef is het meestal heelemaal geen citaat en als ik er ooit een auteur bij noem is dat gelogen." (p.578). Als liefhebber van de Franse literatuur neemt hij daarbij vaak zijn toevlucht tot de Franse taal, als in:

"Vivre, vivre toujours!" (7 november 1950, p.138)

"Je me sentis démesurément agrandi." (2 juli 1951, p.173)

Ook (variaties op) échte citaten uit de Franse literatuur treffen we aan. Ondermeer:

"Les longs sanglots des violons de l'automne" (24 november 1950, p.140, een variatie op de beginregels van Verlaines 'Chanson d'automne' uit Poèmes saturniens)

"Où sont les cuisses d'antan" (27 augustus 1950, p.131, een grappige variatie op de terugkerende regel "Mais où sont les neiges d'antan"  uit de 'Ballade des dames du temps de jadis' van François Villon)           

Aan uitspraken in het Duits en het Engels ontbreekt het overigens ook niet. Soms zijn het slechts enkele woorden (17 april 1952, p.228: "The perfect secluded spot", 12 december 1951, p.210: "The rank stately lady in black"), vaak fragmenten uit liederen die bij het wandelen in hem moeten zijn opgekomen, waarvan hij er vermoedelijk heel wat heeft leren kennen in de tijd dat hij (rond 1900) deel uitmaakte van de zangvereniging 'Sweelinck'. Zoals:

"Jetzt wird sich alles, alles wenden en zoo." (24 november 1950, p.140 naar een citaat uit het lied 'Frühlingsglaube' van Schubert, op tekst van Ludwig Uhland)

"Wien, Wien, ja du allein" , uit het lied 'Wien, du Stadt meiner Träume', wordt herhaaldelijk gebruikt om zijn liefde voor Amsterdam uit te drukken.

"D'un fol éclat etc. en nearer to thee my God." (17 augustus 1951, p.185, het laatste uit een gezang van de Anglicaanse kerk).

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina