Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Uitgangspunt : Natuurdagboek: Observatie van de medemens : ironie en verbeelding

   
   

Observatie van de medemens : ironie en verbeelding

            In Grönlohs 'zelf gemaakte wereld' krijgen maar weinig mensen een plaats. De bevrijding die hij zoekt in zijn overgave aan de natuur - bevrijding van het drukkende gevoel iets te moeten presteren, van het tijdsbesef, van het besef van de eigen sterfelijkheid - kan immers slechts worden gevonden op plekken die onaangeraakt zijn of lijken, niet door mensenhanden bezoedeld. In de beoordeling van zijn medemensen is de schrijver dan ook allesbehalve mild. Vaak ergert hij zich aan al dat "lelijk volk" (11 mei 1947, p.33) met "zooveel botte en sluwe smoelen" (2 mei 1950, p.110). Het liefst zou hij hen verbieden het landschap te betreden dat hem zo dierbaar is. Hij kan zich mateloos opwinden over hun lelijke gezichten en kleding en over de banaliteit van hun conversaties. Opnieuw toont Grönloh zich een uiterst scherp observator, maar in dit geval, waar het de waarneming van het mensenwereldje betreft, gaat het om de gedistantieerde blik van een toeschouwer, die er niet bij wil noch kan horen.  De medemens wordt meestal spottend waargenomen en vaak met een zekere ironie beschreven :

"Ellendig veel nare gezichten gezien en C&A jurken slobberend om dikke vrouwen (er was er nog een bij met gelakte nagels). Ontaarde Jordaanschen, 'ver C&A'd'." (2 september 1953, p.312)

"In het café staat de herbergier in zoo'n Amerikaansch kort wit jasje als 'barkeeper' in een klein baartje met krukken. O tempora, o mores. Dat vind ik nou onzedelijk." (21 juni 1954, p.362)

"(...) (goedkoope gezichten en minder goedkoope kleeren en conversatie : 'Ik heb al eens tegen m'n zwager gezegd, een rollade van twee twintig dat kan toch nix zijn') (...) Wereldschuw geworden door die rollade enz."(7 juli 1954, p.364, 365)

            Slechts weinig mensen vinden genade en worden getolereerd in Grönlohs 'wereld zonder naam'. Mensen die in hun uiterlijk iets bijzonders hebben, dat hen onderscheidt van de massa en Grönlohs verbeelding laat werken. Een mooi meisje dat hij op een zomeravond ontmoet wordt genoemd naar de door Dante verheerlijkte 'Beatrice' (23 augustus 1950, p.130). Een ander meisje krijgt de naam 'Roxane' (29 augustus 1950, p.131), naar de onbereikbare geliefde van Cyrano de Bergerac. Soms is niet helemaal duidelijk of het om reële mensen gaat die hem aan bepaalde personages herinneren, dan wel om pure fantasie. Op 3 juli 1950 ontmoet hij Schubert "op de bank onder de lindeboom, heel melancoliek" (p.124); op 5 juni 1951 ziet hij even "de lichtgrijze hooge hoed van Schubert" (p.167)  oplichten. Ergens anders noteert hij "De olle Goethe wandelde voor Muiderberg langs met een meisje van 15 jaar, maar ze zeiden niets." (16 januari 1951, p.147).  Op 3 augustus 1952 noteert hij zonder verder commentaar de naam "Madame Bovary" (p.252), het jaar daarop gaat hij om brood bij "Doris Day" (7 augustus 1953, p.306), enzovoort.  Ook ziet hij op tijd en stond figuren uit zijn eigen verhalen opdoemen, bij voorkeur de 'titaantjes' Bavink en Bekker. Bijvoorbeeld op 15 november 1952: "Bekker en Bavink schoten net het Oosterpark in bij de van Swindestraat, ik keek hun ruggen na, ze liepen in hun dunne winterjassen, gedoken in hun kragen (...)" (p.268).[1]

            Welke eisen hij aan de mensen stelt om ze te aanvaarden in zijn wereld, wordt negatief verwoord in de volgende zin: "Overal behoorlijk publiek, maar noch schilderachtig, noch intelligent van uiterlijk, geen Olympus, geen enkel waarlijk merkwaardig gezicht, man noch vrouw." (17 april 1949, p.8O). Vaak zijn het mensen in wie hij een verwante kunstenaarsziel meent te herkennen. Op 2 september 1953 wordt bijvoorbeeld zijn aandacht getrokken door een meisje met een schetsboek (p.312).

            Niet alleen de ogenblikken van geluk worden in Grönlohs dagboek opgetekend; het is daarnaast ook een middel om zijn ergernis van zich af te schrijven. Ergernis over de medemens, die ongevoelig lijkt te zijn voor de schoonheid van het landschap. Herhaaldelijk maakt hij schampere opmerkingen over hun laagbijdegrondse, voor hem onbegrijpelijke bezigheden. Zo merkt hij ergens met een grimmig lachje op: "Wat doen ze op zoo'n Zondag in al die huissies?  Bij elkaar liggen en op 't harmonium spelen." (10 april 1955, p.389).

   
[1] zie ook 3 augustus 1951, p.181, en 17 november 1952, p.269.
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina