Nescio in het secundair onderwijs: een vergelijkende kritische studie van 5 Zuid-Nederlandse handboeken

Paul Eyckens

 

DEEL I : STUDIE VAN DE SCHRIJVER: Oeuvre: Waarderingsgeschiedenis: Inleiding

   
     
   

C.3. Waarderingsgeschiedenis

a) Inleiding

Vanzelfsprekend is een studie van de Nescio-waardering van essentieel belang in het kader van deze verhandeling. Die factor is Immers bepalend voor de bekendheid van een schrijver en de mate waarin de leerplannen en de handboeken van het M.O. hem vermelden.

De waarderingsgeschiedenis van Nescio is eigenlijk op te delen in drie grote perioden

1) 1911 (debuut) - 1928

2) 1928 (herwaardering) - 1961

3) 1961 ("Boven het dal en andere verhalen" + dood) - nu

Gemeenschappelijk aan deze drie perioden is de onmacht van de gezaghebbende critici om Nescio te plaatsen, om het onder te brengen in één van de vele vakjes waarin onze literatuur is opgedeeld, iets waarover Ik in het vorige deel reeds uitvoerig gesproken heb.

Die frustratie bij de critici heeft ongetwijfeld bijgedragen tot de vigerende onderwaardering voor Nescio, zodat die in vele gezaghebbende literaire handboeken, naslagwerken en literatuurgeschiedenissen, niet of nauwelijks vermeld wordt.

Tekenend is wel de volgende uitspraak van

"...het is wel zo dat Gerard Knuvelder in de tweede druk van zijn "Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde" meent Nescio met 28 regels af te kunnen doen terwijl bijvoorbeeld Frits Hopman er 33 en L.J.M. Feber er 43 krijgen. En om een paar schoolboeken te noemen : het "Nederlands literatuurboek van Brandt Cortius, De Bruin en Meeuwesse noemt Nescio helemaal niet en evenmin doet Sivinsky dat In "Het beeld der Nederlandse literatuur." " [1]

Wat ook gemeenschappelijk is aan deze drie perioden, is dat de beoordeling unaniem lovend is. Op een enkele uitzondering na [2], spreken alle critici zich vol waardering uit over deze "grootmeester van een klein oeuvre." [3]

Een oorzaak hiervoor kunnen we misschien in het volgende citaat terugvinden : "Nescio heeft de kritiek bezworen met zijn bescheidenheid. Bijna niemand heeft durven zeggen dat hetgeen hij schreef werkelijk onbelangrijk was. Nescio slaat zijn tegenstanders de wapens uit handen door te zeggen dat hij onbelangrijke verhaaltjes schrijft." [2]

Inderdaad, schrijven over Nescio, wiens pseudoniem het wezen van zijn werk zo verrassend zuiver weergeeft, wordt door vele critici ervaren als een ontmoedigende en frustrerende bezigheid : alsof zij het dan wel zouden weten.

Dat heeft echter nefaste gevolgen gehad voor de secundaire literatuur over Nescio.

Zoals Bindels zegt : "Zowel kwantitatief als kwalitatief zijn de bijdragen symptomatisch voor de stand van zaken met betrekking tot de neerlandistiek in ons land : veel gespin en weinig wol. De pers in de vorm van het recensentendom reageert als er wat te reageren valt -zelden dus bij de zeldzame publicaties van Nescio- sympathiek, maar overwegend plichtmatig en kort." [4]

Essays over Nescio's oeuvre zijn inderdaad meestal weinigzeggend en zonder veel diepgang.

Bindels beweert zelfs dat : "Nescio als het ware een nieuwe vorm van essayistiek in het leven (heeft) geroepen" [5], waarbij het meest essentiële vrijwel uitsluitend met de woorden van Nescio zelf wordt weergegeven.

De kracht en intensiteit van zijn teksten zijn immers dermate overweldigend dat de essays vaak niet meer zijn dan bundelingen van beredeneerde citaten uit Nescio's werk.

Dat de persoonlijke reflecties tussen de geciteerde regels door vaak neer over de schrijvers ervan onthullen dan over het onderwerp, wijst erop hoezeer de uitdaging voor de onderzoeker gevormd wordt door zelfherkenning en identificatie, die onvermijdelijk lijken te zijn bij het lezen van Nescio's verhalen.

Bindels heeft het in verband hiermee over "filosofische overpeinzingen, voortvloeiend uit een identificatieproces van de lezer met de fictieve wereld binnen het literaire kunstwerk en leidend tot een confrontatie met de daarin opgeroepen vragen." [6]

Tot 1961 wordt de secundaire literatuur over Nescio dan ook hoofdzakelijk gekenmerkt door een primaire "blinde bewondering". Zijn novellen wekten zozeer herkenning op en leken daardoor zo van-zelf-sprekend, dat er nauwelijks behoefte tot probleemstelling of commentaar ontstond.

Een tweede reden daarvoor is ongetwijfeld de vermeende eenvoud van Nescio's oeuvre, een opvatting die ook pas in de jaren zestig zal weerlegd worden, wanneer men oog begint te krijgen voor de poly-interpretabiliteit van de meeste van Nescio's verhalen. We moeten dan ook vaststellen dat er pas de laatste 20 jaar van diepere beschouwing sprake kan zijn (zij het dat het aantal beschouwingen nog altijd beperkt is gebleven), alhoewel de intense bewondering voor Nescio's werk hierdoor niet geschaad is geworden, integendeel!

In het volgende overzicht zal tevens de nodige aandacht besteed worden aan kwantitatieve gegevens in verband met aantal herdrukken, oplagecijfers, verkochte exemplaren, enz.

Ook dergelijke zaken dragen immers bij tot een correcte beeldvorming van de evolutie en tendensen in de Nescio-waardering.

   

[1] MOOYMAN, J., Werd Nescio miskend ?, In : Hollands Maandblad, tijdschrift voor literatuur en politiek, jrg.4, 1963 (mei), nr. 190, p.39-42.

[2] HOUTEI, B. VAN, De beperkingen van Nescio, In : Tegenstroom, jrg.2, 1965, nr. 1, p.4-7.

[3] Uitspraak van Jan Spierdijk. Wordt vermeld in : T. WIEREMA, Nescio, een zucht van de wind door de kruinen van ons proza, o.c.

[4] BINDELS, R., Over "De Uitvreter", "Titaantjes" en "Dichtertje" van Nescio, O.C., p.8.

[5] Ibid.

[6]  Idem, p.88.

 
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina