Nescio in het secundair onderwijs: een vergelijkende kritische studie van 5 Zuid-Nederlandse handboeken

Paul Eyckens

 

DEEL I : STUDIE VAN DE SCHRIJVER: Oeuvre: Waarderingsgeschiedenis: Waardering in Nederland: 1911-1928

   
     
   

b) Waardering in Nederland

b.1.) 1911-1928

De reacties van vóór 1918, naar aanleiding van "De Uitvreter" en "Titaantjes", beperkten zich tot enkele malen een kort signalement, gevolgd door een lang citaat. De toon is welwillend : men heeft het over "vermakelijke jeugdherinneringen" van "een geestig man" wiens werk van 'leen wondere tragiek" doortrokken is. [1]

De eigenlijke kritiek komt echter pas in 1918 op gang, bij het verschijnen van Nescio's bundel. Vaak werd (en wordt) geschreven dat dit verschijnen vrijwel onopgemerkt bleef, maar het feit dat er in de periode 1918-1919 niet minder dan elf beschouwingen, gaande van positief tot uitmate positief, aan gewijd werden (waaronder een aantal van werkelijk gezaghebbende critici), bewijst toch wel het tegendeel.

Nescio zelf herinnert ons daar trouwens aan : "Over mijn oeuvre kunt U mijnentwege zooveel schrijven als U wilt, alleen zoudt U mij een genoegen doen niet te herhalen dat ik aanvankelijk geen waardering vond, want daarmee doet U velen een onrecht (...) [2]

De eerste reactie komt van C. Scharten in "De Telegraaf". Dat hij er zo vlug bij was is begrijpelijk, aangezien zijn naam tweemaal 'lijdelijk wordt misbruikt" [3] in "Dichtertje" (p. 102 en 122).

In zijn recensie over "drie nieuwbakken Hollandsche fantasten" [3] noemt hij Nescio "de beste", en dus "de meest Hollandsche en de minst fantastische" [3] en hij vindt "De Uitvreter" en "Titaantjes" diens twee beste novellen. In beide verhalen apprecieert Scharten "die door en door Hollandsche toon, nuchter en bijna lomp soms van buiten, melancholiek van binnen en eerder óvergevoelig.'' [3]

"Dichtertje", zo vervolgt Scharten, "lijkt mij van de drie schetsen de minste... Het blijft een verzonnen ventje met verzonnen lotgevallen, dewelke bij een tenslotte stapelgek geworden volkomen ongemotiveerd belanden." [3]

Een dag na Schartens recensie schrijft Stratemeyer in "De Avondpost" "Ik had maar de eerste pagina te lezen, om te komen tot het blijde vermoeden, dat ik althans iets bizonders kreeg." [4], en verder : "Geen buitengewone avonturen, geen schokkende dramatiek, nog minder romantiek maar alles zoo echt, zooals 't altijd is geweest en altijd zal zijn." [4]

Hier wordt voor de eerste maal expliciet de echtheid, de natuurlijkheid van Nescio's oeuvre geroemd, iets wat van dan of in een heleboel recensies zal terugkeren.

Stratemeyer typeert "Titaantjes" als "... een amusante tragi-komedie, niet veel wijsheid achter het mom der dwaasheid" [4] en "Dichtertje" als "een Faust-drama in miniatuur."

Tenslotte roemt hij nog "het schildersoog" van Nescio en zijn warme geestdrift en menselijkheid.

In een anonieme recensie uit datzelfde jaar wordt de geest van Nescio's oeuvre bijzonder raak gekarakteriseerd en bovendien in het kader van een West-Europese levensfilosofie geplaatst. Ten getuige hiervan het volgende uitgebreide citaat :

" 't Is de geest van een onzwaar ongevaarlijk anarchisme, van verregaande vrijheidszucht, van onbedwongen of moeilijk te bedwingen dwangeloosheid. Van Zola zijn er twee uitingen bekend over wat "le rêve" zou zijn ... "De droom" was het leven door te gaan als toeschouwer, niets te doen dan het leven uit een hoekjen te zien en "de droom" was de anarchie." [5]

Ook de 'natuurlijke ongedwongenheid' [5] van Nescio's taal wordt weer beklemtoond.

Een andere grote verdienste ziet deze onbekende recensent in de "eenheid van uiting en uitingswijs" [5], die volgens hem de literaire betekenis van Nescio's novellen uitmaakt.

In het Amsterdams studentenblad "Propria Cures" levert een zekere E.J. Korthals Altes een haast visionaire recensie af. Hij begint als volgt : "Dat iemand een roman schrijft en gij daarvan de indruk krijgt, dat het zijn eerste en eenige is en blijven zal, het komt honderd maal voor. Hoevelen hebben de onsterfelijkheid verworven om één boek, waarin héél een levenstragedie, een wereldbeschouwing of levensleer eens voor al was neergelegd?" [6]

Zijn besluit sluit hierbij aan : "Nescio zal misschien nooit meer iets publiceeren. Maar door dit drietal schetsjes is hij een origineel talent, een verschijning in onze letterkunde, die absoluut alleen staat." [6]

Korthals Altes zal zelf wel niet hebben kunnen vermoeden hoe dicht hij hier bij de waarheid zat.

Deze recensie is niet enkel erg profetisch, maar ook in hoge mate lovend: "... en dat verhaaltje ("Titaantjes", P.E.) is zoo mooi, dat wie het gelezen heeft, het niet vergeet, dat schetsje is zoo typerend voor een zekere merkwaardige levensperiode, dat velen de titel ervan spreekwoordelijk gebruiken ... " [6]

Een maand later schrijft Borel een lang artikel dat veel gelijkenis vertoont wet de recensie van Stratemeyer. Ook Borel voelde "zoodra ik een Paar bladzijden van "Het Dichtertje" had gelezen..., dat ik hier met iets bizonders te doen had in onze literatuur, iets origineels, zuiver, echt, oprecht. " [7]

Die ongekunsteldheid van Nescio wordt verderop in het artikel nog eens extra beklemtoond :"... zijn boek ( ... ) is 'jong', heerlijk Jong en origineel en frisch ( ... ) de manier van voelen, en vooral de stijl, zijn verrukkelijk jong en, als alles wat jong is, echt en zuiver." [7]

Wegens die "niets ontziende, verrukkelijke oprechtheid" [7] schat Borel "Nescio als auteur hoger dan heel wat van onze beste literatoren..." [7]

Ook de "wondere subtiliteit en suggestiefheid" [2] van Nescio's taalgebruik weet Borel naar waarde te schatten :

"Zeer mooi geeft hij ook natuurschilderingen van grootsche visie in enkele, sobere zinnen. En als hij voelt dat woorden tenslotte onmachtig zijn om de schoonheid uit te drukken, zooals die in uiterste spanning de dichterziel doet zwellen, zegt hij machtige dingen als deze : "De berkestammen waren toen zilverwit, maar mooier dan zilver. De taal is armoedig, dood armoedig. Die de werken des Vadem kent, weet dit." "[7]

Van Nescio's typering van "De Titaantjes" zegt Borel : "Ik ken geen Hollandsch boek, waarin de Bohème met zooveel kleur, en zoo prachtig van stemmingen, is beschreven." [7]

Borel beschouwt Nescio dan ook "als een echten dichter" [7], zij het dan in proza.

Hij heeft ook oog voor het humoristische van dit oeuvre ("Ook heeft hij iets, wat in onze literatuur zeldzamer is dan thee in den distributietijd : humor." [7] ), een aspect van Nescio dat overigens nog in enkele recensies aan bod zal komen.

Borel eindigt met de opmerking dat hij hoofdzakelijk heeft willen wijzen "op het origineele, echte, oprechte, frissche in zijn bundel" [7], omdat hij het "noodig (vond), eens op dezen schrijver te wijzen, die veel te weinig bekend is." [7]

Toch meent Borel dat hij zijn waardering vergezeld moet laten gaan van een waarschuwing aan de "argeloze" lezer :

"Hij zegt verschrikkelijk "erge" dingen, flapt alles er uit waar zijn jong hart onrustig van klopt, ook zijn meest intieme, en ik waarschuw den fatsoenlijken lezer even : zijn meest "onfatsoenlijke" neigingen en aandrangen, hij geneert zich voor niemand en niets, en vertelt daardoor van allerlei gevoelens en gewaarwordingen, die andere menschen precies zóó óók hebben, maar ze zorgvuldig-stiekem verbergen achter hun uitgestreken gezichten en naar de laatste mode gesneden kleeren." [7]

Ook 1919 is een vruchtbaar jaar voor de Nescio-kritiek.

J. Rasch spreekt van "zeer bizonder werk" [8] en doet zowaar een ernstige poging tot psychologische analyse van Nescio's schriftuur, waarbij hij duidelijk onder invloed van Freud staat.

Zijn redenering is, dat door de oorlog bepaalde oerinstincten worden opgewekt, "slapende verlangens van het onderbewustzijn" [8], wat aanleiding geeft tot conflicten en onmaatschappelijkheid.

Om die theorie te veraanschouwelijken, stelt Rasch de volgende retorische vraag : "Kamt het u niet voor, lezer of lezeres, dat ge u zelf op dergelijke gedachtenspinnerij betrapt en dat ge het vreeselijk zoudt vinden als die "gedachten" "daden" werden?" [8]

Een betere illustratie van het verschijnsel dat de lezer-criticus, geconfronteerd met de fictionele wereld binnen Nescio's oeuvre, zich vragen begint te stellen, aan het nadenken wordt gezet over zijn eigen leven en levenshouding, en zodoende meer over zichzelf dan over zijn onderwerp vertelt, is haast niet denkbaar.

Wat Rasch vooral bewondert is Nescio's vermogen "om zich helder bewust te maken de onderwerpen van stille bepeinzing die zoo nu en dan, op een wandeling, op ons dagelijksch gangetje naar het kantoor of de werkplaats, in de tram, ons bezig houden." [8]

In tegenstelling tot Scharten vindt hij "Dichtertje" dan ook de beste novelle van de bundel, wegens zijn "intiem" [8] karakter.

Ook de andere twee oordeelt hij echter "het lezen waard, aantrekkelijk om hun oprechtheid, hun blijk van goeden kijk op de menschen, hun eigenaardigen, grilligen vorm, die toch nergens ontaardt in mooidoenerij of gemaniëreerdheid." [8]

Tenslotte waagt ook Rasch zich aan de volgende profetie : "Als vele romans en verhalen reeds vergeten zijn, zal dit boekje weer eens tevoorschijn gehaald worden, als document van Is menschen historie uit de laatste jaren der 19e eeuw." [8]

Ook Frans Coenen, die "Titaantjes" in 1915 reeds bij de redactie van "Groot-Nederland" aanbevolen had, laat zich niet onbetuigd.

Over "De Uitvreter" en "Titaantjes" niets dan lof, met kwalificaties als "bittere geestigheid", "dol vermakelijk", "het bekorend ongemeene van deze literatuur", "een curieuze geestelijke verfijning" en "Virtuoze humor, bekoorlijke pose van onverschilligheid en wereldverachting, die in geestige spotbeelden zich voor wanhoop bewaart." [9]

Agnes Maas-Van der Moer, die in 1922 bij een enquête getiteld "zes boeken meenemen naar een onbewoond eiland", Nescio als eerste zal noemen, is ronduit in de wolken : "Nescio is een natuurtalent, zooals we er hier in Nederland niet veel zullen aanwijzen." [10]

Ze apprecieert vooral zijn "zéér sterke persoonlijkheid", "het buitengewoon Scherpe vernuft en de wonderbaarlijk groote opmerkingsgave" en "de ziel van den schilder-met-woorden, de ziel van den rasechten kunstenaar." [10]

Ook haar besluit liegt er niet om : "Ik kan me moeilijk voorstellen, dat de critiek aan dit gave werk zou tornen ( ... ) In dezen tijd van de zoetsappige richting, waarin de kunst als moraal moet dienen ( ... ), is het een heerlijk iets, een boek te vinden als dit, een boek dat geen sociale taak heeft, dat niet pleit voor het ethische, en wat niet meejammert met de algemeene menschenmin. Het boek van een waarachtig kunstenaar, die maar één richting kent : zijn eigen ( ... ), zijn ziel, onbestudeerd, onbeïnvloed, origineel en waarachtig. Eén uit de weinigen en één wiens werk misschien ook maar weinigen geheel en eerlijk zullen genieten." [10]

Toch zijn de vele bezwaren tegen het zogenaamde "blasfemische" van Nescio's oeuvre in die jaren nog lang niet overwonnen.

In een recensie in de "Wereld-Kroniek" valt weer de waarschuwing aan de lezer op : "Ik durf U niet voetstoots aan te raden : lees deze dingen, want misschien zullen ze U choqueeren; ze gooien alle conventie overboord en lachen met wat voor velen heilig is". [11]

Na 1919 verdwijnt Nescio dan voor bijna 9 jaar in volledige anonimiteit. Recensies over zijn werk verschijnen nog slechts zeer sporadisch en ook hijzelf bewaart het stilzwijgen.   Toch wordt Nescio al die tijd niet vergeten.

In de jaren volgend op de verschijning van zijn bundel ontstond er onder literaire fijnproevers van naam een soort "fluistercampagne" [12], een mondreclame, waardoor Nescio van vriend naar vriend en van generatie naar generatie werd doorgegeven.
Reeds in mei van het jaar 1918 laat De Bois Grönloh weten : "De meest onverwachte menschen die ik sprak hadden er al over horen praten, of hadden het al te leen gehad!! Matthijs Vermeulen en Jan van Nijlen o.a. 't Zal langzaam aan wel gaan." [13]

Onder die literaire "fijnproevers" bevonden zich verder mensen als J. Greshoff, A. Roland Holst, J.C. Bloem, L. Van Deyssel, H. Gorter, M. Nijhoff, H. Marsman, V.E. Van Vriesland en W.L.M.E. Van Leeuwen. Ook Clara Eggink hoorde erbij, van wie het volgende veelzeggende citaat : "... beroemd was hij (= Nescio, P.E.) en wel daar waar het hem grote voldoening geschonken moet hebben, nl. bij zijn collega's, voor zover dat zelf grote schrijvers waren. Die gaven elkaar dat boek door als ze het zelf niet gekocht hadden en spraken er over op de toon van : "Daar heb je er nu eens eindelijk een die er iets van begrepen heeft. En niemand wist wie hij was. " [14]  

Wie Nescio het eerst heeft ontdekt, is moeilijk na te gaan. Bloem geeft de eer aan Roland Holst en Roland Holst geeft de eer aan Bloem.

Uit allerlei bronnen spreekt in alle geval duidelijk dat vrijwel alle schrijvers van die jaren het werk van Nescio hebben gekend en bewonderd, iets wat overigens wel duidelijk zal worden in de verdere bespreking van de waarderingsgeschiedenis.

Hier alvast één treffend voorbeeld.

In 1922 reeds lezen we in het verhaal "Moeder" van E. Forest de volgende zin : "In zijn huis, waar vroeger Couperus en Van Looy, Nescio en Van Oudhoorns werk te vinden was, lag nu overal communistische literatuur... [15]

Zonder deze toespeling te willen overschatten, kan het op zijn minst onthullend genoemd worden dat Nescio dan al in één adem met Couperus, Van Looy en Van Oudhoorn, toch niet bepaald derderangsschrijvers, genoemd wordt.

Nescio zou echter lange tijd "slechts" een zogenoemde "writer's writer" blijven, omdat al die prominente "lezers van het eerste uur" het nalieten hun bewondering publiekelijk te maken.

Het clubje "Nescianen" nam echter alsmaar uitbreiding, en in 1928, na negen magere jaren, was de tijd eindelijk rijp voor een herwaardering.

   

[1] FRERICHS, L., Over Nescio. Beschouwingen en interviews, p.304.

[2] Uit een brief van Nescio aan W. Lankester van 24-6-1952. Wordt vermeld in : L. FRERICHS, Over Nescio, O.C., p.9.

[3] SCHARTEN, C., Hollandsche fantasten, In : De Telegraaf, 27-4-1918.

[4] STRAMEIJER,H.J., Nescio, In : De Avondpost, 28-4-1918.

[5] Nescio. Haarlem, J.H. de Bois, In : Nieuwe Rotterdamsche Courant, 29-8-1918 (Anoniem)

[6] KORTHALS ALTES, E.J., Dichtertje, De Uitvreter, Titaantjes door Nescio, In : Propria Cures, Amsterdamsch studentenweekblad, 5-10-1918.

[7] BOREL, H., Nescio. Dichtertje, Uitvreter, Titaantjes (J.H. de Bois, Haarlem), In : De Loods; politiek, economisch, literair weekblad, 21-11-1918.

[8] RASCH, J., Nescio. Dichtertje, Uitvreter, Titaantjes. Uitgegeven bij J.H. de Bois, Haarlem (zonder jaartal), In : Den Gulden Winckel, maandschrift voor de boekenvrienden in Groot-Nederland, jrg. 18, 1919 (maart), p.36-38.

[9] COENEN, F., Nescio. Dichtertje; De Uitvreter; Titaantjes. J.H. de Bois, Haarlem, z.j., In : Groot Nederland, letterkundig maandschrift voor den Nederlandschen stam, jrg. 17, 1919 (mei), deel I, p.595-596.

[10] MAAS-VAN DER MOER, A., Nescio : Dichtertje, De Uitvreter, Titaantjes, In : Vrije Arbeid, maandblad voor kunst, wetenschap en handel, jrg. 5, 1919, nr. 7, p. 175-178.

[11] IJSSEL DE SCHEPPER-BECKER, J.M., Brieven over boeken, In : Wereld Kroniek, waarin opgenomen De Week, jrg. 26, 1919 (decermber), nr. 36.

[12] Deze terne werd voor het eerst gebruikt door N. Donkersloot tijdens het VARA-televisieprogramma "Signalement Nescio", uitgezonden op 24-7-1964. De tekst van dit programma is terug te vinden in : L. FRERICHS, Over Nescio, o.c., p.276-283.

[13] TIL, A. VAN, Nescio en zijn eerste uitgever J.H. de Bois, In : Engelbewaarder Winterboek. Amsterdam, 1978. p.9-25.

[14] EGGINK, C., Daar had je het nu. Dat was het. Nescio : zijn bloed uit zijn hart geschreven, In : De Telegraaf, 5-7-1958.

[15] FOREST, E., Moeder!, In : De Amsterdammer, 25-11-1922.

 
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina