Nescio in het secundair onderwijs: een vergelijkende kritische studie van 5 Zuid-Nederlandse handboeken

Paul Eyckens

 

DEEL I : STUDIE VAN DE SCHRIJVER: Oeuvre: Waarderingsgeschiedenis: Waardering in Nederland: 1928-1961

   
     
   

b.2.) 1928-1961

Die herwaardering wordt ingezet door een artikel van J.C. Bloem in "De Gids", waarin hij de volgende, voor de Nescio-waardering historische uitspraak doet :

"Eén van de eerste taken, waarvoor de critici onder deze jongeren zich gesteld zullen vinden is : een geheel of althans grootendeels nieuwe bepaling der waarden in de Nederlandsche litteratuur van de laatste veertig jaar, voornamelijk de prozalitteratuur. Er zullen stapels naar de rechtmatige prullemand moeten worden verwezen, maar anderzijds ook enkelen van onze voortreffelijke prozaïsten, zooals Nescio en Willem Elsschot, voor het eerst op de hun toekomende plaatsen moeten worden gezet." [1]

Van dan af beginnen ook de overige Nescio-aanhangers hun favoriete schrijver in hun geschriften en kritieken op te nemen.

Dat zijn vooreerst de mensen van "Forum", in wier literatuuropvatting heet werk van Nescio zich zo wonderwel lijkt in te passen.

Het is Du Perron die als eerste blijk geeft van zijn instemming met Bloems artikel en die later, in 1932, ook Ter Braak attent maakt op heet oeuvre van Nescio.

Toch moet men het belang van Forum inzake Nescio's herwaardering niet overschatten. Vaak wordt gezegd dat het dankzij de Forum-critici was dat Nescio opnieuw in de belangstelling kwam. [2] Hier moet toch sterk voorbehoud gemaakt worden.

Alhoewel Du Perron over het artikel van Bloem zegt dat het hem "'geheel uit het hart gegrepen (was)" [3] , kan de rest van zijn beschouwing op zijn minst gereserveerd genoemd worden. De "slotsom" [3] van Bloems artikel is volgens hem :

"Drie of vier genietbare auteurs : Willem Elsschot, Nescio, Buysse en misschien nog iemand. Het is des te bedroevender wanneer men bedenkt dat deze heren inderdaad sympathiek zijn, maar in de eerste plaats : omdat zij zich van hun grenzen bewust zijn, omdat zij zonder ophef en zonder gegorgel van kunst weten te vertellen; als wij dit gezegd hebben blijft ons alleen nog maar over te erkennen dat hun werk verre van groot is." [3]

Ook Ter Braak reageerde aanvankelijk nogal koel en ironisch op Du Perrons aanbeveling van 1932 : "Nescio gelezen ! Bijzonder goed in dat tachtigerjargon van 'hatti'!" [4]

Het is wel zo dat Ter Braak in datzelfde jaar de eerste echt belangrijke recensie over Nescio schreef. Tot dan waren de reacties eerder kort en Oppervlakkig gebleven en het is Ter Braak die zich voor het eerst aan een diepgaande analyse van Nescio's novellen waagt.

Hij komt o.a. tot een treffende formulering van de dualiteit in het leven van De Uitvreter :

"In het leven van den Uitvreter, het wezen op de grens van philosophenwijsheid en vagebondenmoraal, ervaart men iets van de doelloosheid van het in doelbewustheid versleten leven van den gemiddelden mensch, maar tevens -en hier is de humor gids naar de wijsheid ! - het doelloze van het in doelloosheid doorgebrachte slenterleven, zooals de bohémien het wil. Er is genie in dit verhaal juist omdat het geen propaganda maakt, noch voor den socialen, noch voor den onsocialen mensch." [5]

En Nescio's stijl kenmerkt hij als volgt :

"Nescio beduidt ons , dat het van ons standpunt afhankelijk is, of wij een geval tragisch dan wel humoristisch zien ( ... ) Voor beide standpunten heeft Nescio gevoel : dat is het kenmerkende van zijn stijl." [5]

Behalve Ter Braak zijn het vooral Van Leeuwen, Van Vriesland en Donkersloot die er in het begin van de jaren 30 werk van hebben gemaakt om Nescio bij het grote publiek te "promoten", dit door vele malen zijdelings de aandacht op hem te vestigen. Zijdelings, want een concrete aanleiding om een recensie te schrijven was er nooit, aangezien Nescio geen nieuw werk meer uitgaf.

In die tijd gebeurde er echter iets dat de heroplevende belangstelling voor Nescio een duwtje in de goede richting gaf.

Uit het vermelde citaat uit het artikel van C. Eggink bleek reeds dat men in het duister bleef over Nescio's ware identiteit. Er werd daaromtrent dan ook heel wat gespeculeerd in de jaren 20 : "Min of meer gelijktijdig met de fluistercampagne zet een andere in, gericht op de ontmaskering van de auteur." [6]

Een heleboel mensen dachten dat het in feite De Bois zelf was, maar er gingen ook vermoedens uit naar V. Van Vriesland en nog allerlei andere Nederlandse auteurs. Niemand wist heet echter zeker.

In 1928 schreef De Kempenaer in zijn pseudoniemenboek dat Nescio in werkelijkheid Nico Eisenloeffel heette en in 1881 geboren was. [7]

De Bois ging verontwaardigd op zoek naar de bron van deze "onthulling" en het bleek dat een zekere Dr. Endt, die waarschijnlijk in Nescio een anagram van Nico Eisen(loeffel) heeft menen te zien, de schuldige was. De Bois kreeg Grönlohs toestemming om zijn wam naam prijs te geven en stuurde een rectificatie op naar NRC. [8]

Hiermee was de zaak nog niet uit de wereld : in 1931 bevat de tweede druk van "Stroomingen en Gestalten" van De Raaf, Griss en Donkersloot opnieuw de inlichting dat Nescio Nico Eisenloeffel heette.

Grönloh zelf neemt nu contact op net Donkersloot, die met een nieuwe rectificatie in de NRC en een inlegstrookje in "Stroomingen en Gestalten" de zaak rechtzet.

Een negatief resultaat van de Eisenloeffel-zaak is het eeuwig opduiken van het jaar 1881 als Nescio's geboortejaar (met als gevolg dat een enkele krant hem een jaar te vroeg met zijn 75ste en 80ste verjaardag komt gelukwensen).

Deze pseudoniemenkwestie heeft echter ook positieve gevolgen, namelijk een hernieuwde aandacht voor Nescio's bundel, wat tenslotte in 1933 - na 15 jaar !- zal resulteren in een herdruk door de uitgeverij Nijgh en Van Ditmar en in een oplage van 2000 exemplaren. Deze tweede druk was vooral te danken aan de directeur van de uitgeverij, Zijlstra, die al in 1919 had aangeboden om nieuw werk van Nescio uit te geven.

De eerste druk van de bundel was commercieel gezien een flop geweest van de 500 gedrukte exemplaren waren er eind 1919 "al" 290 verkocht (wat nog veel was, de slechte publiciteit en de hoge kostprijs in aanmerking genomen), maar in de periode 1919-1927 komen er daar maar 31 bij. Het is na de publiciteit in het begin van de jaren 30 dat de eerste druk ongeveer uitverkocht raakt.

Nescio hoopte dat de meer professionele aanpak van Zijlstra tot een veel royalere verspreiding van zijn boekje zou leiden; maar ook dat is een illusie gebleken.

Toch had die herdruk van 1933 weer een heleboel recensies tot gevolg, Iets wat toch wel uitzonderlijk Is voor een tweede druk.

Vooreerst is er de verrukte recensie van Van Vriesland, waar we, naast de klassieke opmerkingen over de "echt Hollandsche humor" [3] , "de fijne ironie eener kritische persoonlijkheid" [9] en de rake beschrijvingen in een uiterst natuurlijke en uitgepuurde taal, ook een heleboel aanwijzingen kunnen terugvinden voor de reeds besproken fluistercampagne rond Nescio : "Het boekwerk ( ... ) vestigde al spoedig den roem van Nescio bij alle kenners en liefhebbers van onze letteren." [9] en verderop : "Er is nauwelijks een der jongere essayisten, of hij heeft ergens in zijn oeuvre zijn aanhankelijkheid aan dit boek van Nescio betuigd. Greshoff, Ter Braak, Du Perron, Donker e.a. hebben het met lof genoemd." [9]

Daarnaast constateert Van Vriesland dat de verhalen van Nescio "hun tijd ver vooruit waren" [9], aangezien de waardering ervoor "in deze afgeloopen vijftien jaren, waarin de culturele wijzigingen zich zoo ingrijpend en schoksgewijze hebben voltrokken, in geen enkel opzicht minder is geoorden, maar zoo mogelijk nog toegenomen." [9]

Van Vriesland ervaart de "sfeer, toen en gevoelsinhoud" [9] van Nescio's werk nog altijd even nieuw. fris en hedendaags aandoend als 15 jaar terug. De verklaring voor dit "wonder" [9] is volgens hem dat "ze alle elementen van vernieuwing in zich droegen, die eerst langzamerhand en tot heden toe algemeen doordrongen en aesthetisch gemeengoed werden." [9]

Iets gelijkaardigs had Ter Braak even daarvoor al in een brief aan Nescio geschreven : "Vooral het maling hebben aan alle letterkundige ernst en vakzwaarwichtigheid leest men zo duidelijk door Uw werk heen, dat het absoluut niet dateert." [10]

Ook voor de uniciteit van Nescio's oeuvre heeft Van Vriesland bijzondere aandacht : "De werkelijk belangstellenden in de Nederlandsche letterkunde hadden reeds bij de lezing van de laatste twee verhalen in de tijdschriften ( ... ) aanstonds het stellige gevoel, hier niet alleen met een zeer belangrijke, doch tevens met een nieuwe en geheel eenige gestalte in onze litteratuur in aanraking te zijn gekomen."[9]

Van Vriesland besluit met de volgende oproep : "De heer Grönloh verdient door dezen laten herdruk eindelijk in den allerruimsten kring de erkenning en vereering te vinden, die hem reeds zoo vroeg en zoo gul in de meer belangstellende en deskundige milieus geworden zijn." [9]

Kort daarna noemt Van Leeuwen in een artikel "dezen herdruk een van de evenementen op litterair gebied van dit geheele jaar." [11]

Ook Donkersloot toont zich in zijn recensie bijzonder verheugd over deze herdruk : "Die drie novellen wegen tegen een gansch oeuvre op. Ik ken geen schrijver, bij wie zulk een wonderlijk samengaan voorkomt van een vif en nuchter realisme en een uiterst persoonlijke lyrische dichterlijkheid. " [12]

Een zekere P.H. Ritter Jr. schrijft in datzelfde jaar een al even lovende recensie. Ook hij vestigt de aandacht op de voorafgaande fluistercampagne : "De proza-schetsen (...) zijn jaren geleden gepubliceerd, maar werden toen eigenlijk alleen maar door de fijnproevers opgemerkt."  [13]

Hij vervolgt met een erg filosofisch betoog over de gedachtewereld die zich in Nescio's proza aan ons openbaart. Nescio's talent is volgens hem "dat hij 'de ironie des levens' verstaat".

Ritter specifieert die als volgt : "Er wordt voordurend met is levenstragische aspekten op een eigenaardige, van mededogen vervulde manier geschetst. En de kracht van deze schrijver is, dat hij zijn goedmoedigen schets nog volhoudt, wanneer wij een steek in ons hart voelen." [13]

Stilistisch ligt volgens hem Nescio's grote kracht in "het vermogen om de groote lijnen te laten zien en tegelijkertijd in het onbelangrijkst détail het groote geheel zich te laten spiegelen." [13]

Alhoewel de reacties op deze herdruk dus talrijk en unaniem positief zijn, lijkt het optimisme van Ritter in datzelfde artikel wat voorbarig : "Zonder glasreclame, zonder radiobesprekingen of behandeling in volksuniversiteiten of voor huisvrouwenverenigingen, kroop het, onder de huid der openbare belangstelling, heimelijk naar de populariteit." [13]

Die populariteit is voor Nescio in feite nog lang niet in zicht. Met de tweede herdruk gebeurt immers hetzelfde als met de eerste : ondanks de goede kritieken zal het weer 13 jaar duren vooraleer de 2000 exemplaren de deur uit zijn. "Zelfs in de Kultuurkamerdagen, waarin nagenoeg ieder boek opraakte, de meest onwaarschijnlijke prullen verdwenen ( ... ), lag Nescio nog in iedere étalage die ik maakte en ging dit boek niet weg" [14], zo vertelt in 1946 Jacques den Haan, die overigens "De Uitvreter" en "Titaantjes" rekent "tot de beste verhalen die we in Nederland te lezen kregen." [14]

Tijdens de oorlogsjaren richtte de aandacht zich noodgedwongen op andere dingen en het is pas in 1946 dat Nescio opnieuw in de aandacht komt met zijn nieuwe bundel "Mene Tekel".

Het is dankzij deze minder belangrijke publicatie dat zijn meesterwerk van 1918 opnieuw begint te verkopen, zodat in 1947 een derde druk mogelijk wordt.

Die verschijnt eveneens in een oplage van 2000 exemplaren en raakt in "slechts" negen jaar tijd uitverkocht.

Langzaam maar zeker wordt Nescio in ruimere kring bekend en begint de kritiek serieus op gang te komen.

Reeds in 1947 vergelijkt Van Galen Last Nescio's "ongeneselijk en zeer modern aandoend pessimisme" [15] net de geest van het existentialisme. "Nescio's novellen hebben tot onderwerp de menselijke vrijheid" [15], verklaart Van Galen Last : "Al Nescio's figuren zijn individualisten die zich wanhopig verzetten tegen een tyrrannieke maatschappij en in dat gevecht ten onder gaan." [15]

Japi's overpeinzingen gaan volgens hem terug op "een zeer existentiëele angst" [15] en ook het vaak geciteerde "Doelloos zit ik, Gods doel in de doelloosheid" [16] kon volgens Van Galen Last "met weglating van het woord "God" ( ... ) gesproken zijn door een held van Camus." [15]

Hij stelt Nescio echter boven de existentialistische jongeren van zijn tijd, omdat "pessimisme voor hem (=Nescio, P.E.) niet hetzelfde (is) als naargeestigheid. De grote bekoring van zijn werk ligt juist in de argeloosheid, de natuurlijkheid en de humor, waarachter dat pessimisme verscholen gaat." [15]

Van Galen Last besluit als volgt : "Nescio behoort, zoal niet tot de grootste, dan toch zeker tot de aantrekkelijkste en oorspronkelijkste figuren uit onze letteren." [15]

In 1952 zal Gomperts in een artikel met de titel "Ironie en tragiek der doelloosheid" een zelfde thematische verwantschap vaststellen tussen Nescio's Oeuvre en de existentialistische problematiek in de filosofie en de kunst van de jaren '50 en '60 :

"Als men hem nu herleest, valt het op dat de hele tragiek der doelloosheid, die tegenwoordig met zoveel nadruk in de literatuur wordt behandeld, bij hem al volledig, maar als het ware achteloos en met een bescheiden glimlach gepresenteerd, aanwezig is." [17]

Naar aanleiding van "Mene Tekel" besteedt Greshoff in 1947 aandacht aan het traag op gang komen van de waardering voor Nescio's oeuvre. "Hoe moet men schrijven om klassiek te worden ?" is de veelzeggende titel van zijn artikel, waarin hij Nescio tot "een der klassieken van ons proza" [18] rekent.

Ook Greshoff verwijst naar de veelbesproken fluistercampagne en beschouwt Nescio's succes als "de slotsom van een zich langzaam ontplooiend begrip" [18], wat hij "het enige goede soort succes" [18] noemt.

Verder constateert Greshoff , net als Ter Braak en Van Vriesland al hadden gedaan. dat "Nescio's werk (...) niet alleen onaangetast (bleef) door de tijd, het werd er door de jaren beter op." [18] Vooral "De Uitvreter" heeft volgens hem "na veertig jaar niets van zijn frisheid en aanvaardbaarheid ingeboet. [18]

De jaren vijftig gaan voor Nescio gepaard met enige feestelijkheden, die voor een positieve kentering In de Nescio-waardering zorgen.

Die wordt ingezet in 1950, wanneer een speciale Telegraaf-jury (o.a. Bloem en Top Naeff) Nescio op een "erelijst" van de 12 beste romanschrijvers van 1900 tot 1950 plaatst.

In 1952 wordt Grönloh zeventig en dat jaar wordt voor de waardering van zijn persoon en werk een ware mijlpaal : talloze bekende literatoren wijden een lovend artikel aan hem, encyclopedieën (o.a. "Oosthoek" en "Winkler Prins") ontfermen zich over zijn naam en hij wordt in dat jaar ook voor het eerst officieel geïnterviewd, het begin van een lange reeks.

Deze heropleving culmineert in 1954 In de toekenning van de Marianne Philips-prijs, de eerste officiële erkenning voor zijn werk.

Dit alles resulteert in 1956 in een vierde druk, ditmaal al in een oplage van 3000 exemplaren.

Het noopt Knuvelder er ook toe om Nescio, die hij tot dan toe erg stiefmoederlijk heeft behandeld, op te nemen in zijn "Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde." De wijze waarop hij dat doet, kan een lichte aarzeling echter nauwelijks verhelen.

Overigens kan de evolutie van de manier waarop Knuvelder Nescio's werk in de verschillende drukken van zijn "Handboek" behandelt, en dan meer bepaald de plaats die hij voor hem inruimt, als illustratief beschouwd. worden voor de evolutie van de herwaardering van Nescio : In de eerste druk wordt hij niet vermeld, in de tweede zijn het al 28 regels, in de vierde bijna een hele pagina en in de vijfde, geheel herziene druk van 1976 zijn het al ruim zes pagina's geworden, waarmee hij even hoog "scoort" als Perk, Leopold en Elsschot.

De vele interviews naar aanleiding van Nescio's 70ste en 75ste verjaardag (o.a. door S. Carmiggelt en S. Vinkenoog) verschaffen vooral nuttige biografische gegevens, maar geven ook aanleiding tot eenweelderige anekdotiek en zelfs legendevorming (cfr. Carrmiggelts artikel "Legende" [19]).

Behalve die interviews en biografische artikels is ook nog de uitvoerige recensie uit 1952 van Dinaux belangrijk. Deze criticus typeert Nescio's schrijverschap als volgt :

"Nescio is de roman, de 'dikke roman', die hij nooit zou schrijven en tóch schreef, in fragmenten die niet fragmentarisch, maar in zichzelf volledig, in zichzelf Nescio en dus uniek zijn : humor en ironie en opstandigheid en met 'nuchterheid' gewapende weemoed om het verlangen dat naar zichzelf verlangt zonder te weten waarom en waartoe." [20]

En in verband met Nescio's stijl zegt hij : "Het (=Nescio's proza, P.E.) staat er zo natuurlijk-eenvoudig, zo vanzelf als de beuken en de linden die, hij zich droomde rond een groot gazon ..." [20]

Dinaux besluit heel poëtisch : "Ja, ik geloof dat Nescio's ziel te groot was. Ze kon er niet uit, de hals van de fles was te nauw, zou Bloem eens gezegd hebben. Wat er uit kwam was een zucht van de wind, die door de kruinen van ons proza gaat. Op een avond dat het heel stil is. Ik houd ontzaglijk veel van Nescio." [20] Van bewondering gesproken !

In de jaren 150 wordt ook sporadisch gewezen op de overeenkomst tussen Nescio en de "Angry Young Men" van na W.O. II. Die overeenkomsten situeren zich dan vooral op het vlak van de maatschappijkritiek, de aliënatie van de personages, de ontnuchtering en tenslotte de ironische humor.

Toch is Nescio's pessimisme veel existentiëler en dramatischer, en ook zijn taalgebruik wijkt op vele punten af van dat van de "Angry Young Men".

Ik sluit de jaren 150, en daarmee de hele periode van 1928 tot 1961, af net de volgende filosofische overpeinzing van W.P. Gerritsen, wiens artikel in "Forum Academiale" weer een goed voorbeeld Is van de blijkbaar onvermijdelijke identificatie van de lezer met Nescio's wereldbeschouwing. Deze (zelf)herkenning roept ook bij Gerritsen heel wat vragen op :

"Wie er op zeker moment toe veroordeeld wordt zijn leven als een toeschouwer van zijn eigen daden te beschouwen, komt tot het inzicht dat hij er niets van begrijpt. ( ... ) Een satanische relativering dus, die niet alleen zijn zoeken naar iets waars, maar ook de waarheid waarnaar hij zoekt afbreekt, en hem achterlaat zonder illusies. Zodat wat hij altijd als het toppunt van de dichtgegroeide burgerlijkheid heeft verafschuwd, tenslotte een geschenk wordt niet meer te hoeven zoeken naar iets wat toch niet te vinden is ... ).

Nog een ander gevaar brengt het inzicht mee dat er geen waarheid te vinden is : het geloof dat doelloosheid het doel is. Wat heeft het menselijk streven nog voor zin als een kort en onvolmaakt geluk het enige is wat mis ten deel kan vallen." [21]

   

[1] BLOEM, J.C., Bij het lezen van een Nederlandsch boek. Naar aanleiding van "Kerels", door Cyriel Buysse, In : De Gids, algemeen cultureel maandblad, jrg. 92, 1928, afl.1, deel II, p.133-134.

[2] Zie b.v. het artikel van W. MOOYMAN, Werd Nescio miskend ?, In Hollands Maandblad; tijdschrift voor literatuur en politiek, jrg. 4, 1963 (mei), nr. 190, p.39-42.

[3] DU PERRON, E., Vriend of vijand; Nescio, In : E. DU PERRON, Vriend of vijand (Cahiers van een lezer) 's-Gravenhage, 1931. p.85.

[4] Uit een brief van 3 januari 1933 van Ter Braak aan Du Perron. Wordt vermeld in : Aandacht voor Nescio, p.82.

[5] TER BRAAK, M., De 'binnenkant' van Tachtig en de charme van een 'buitenkant', In : Het Vaderland', 26-11-1933.

[6] TIL, A. VAN, Nescio en zijn eerste uitgever J.H. de Bois, In : Engelbewaarder Winterboek. Amsterdam, 1978. p.9-25.

[7] DE KEMPENAER, A., Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche schrijvers. Vervolg op NR. J.J. van Doorninck's Vermomde en naamloze schrijvers, opgespoord op het gebied der Nederlandsche en Vlaamsche letteren. Leiden, Sijthoff, 1928. p.336.

[8] DE BOIS, J.H., Nescio, In : De Nieuwe Rotterdamsche Courant, 12-2-1929.

[9] VRIESLAND, V.E. VAN, Vertalingen en herdrukken, In : De Nieuwe Rotterdamsche Courant, 28-11-1933.

[10] Uit een brief van 21-7-1933 van Ter Brak aan J.H.F. Grönloh. Wordt vermeld in : L. FRERICHS, Over Nescio, o.c., p.306.

[11] LEEUWEN, W.L.E.M. VAN, Een zeer bijzondere herdruk, In : Tubantia, Twentsch dagblad, 16-12-1933.

[12] DONKERSLOOT, N.A., Nescio, In : Critisch Bulletin, maandblad voor letterkundige critiek, jrg. 5, 1934 (januari), p.28.

[13] RITTER, P.H., Nescio. Dichtertje. De Uitvreter. Titaantjes. (2de herdruk, Rotterdam, Nijgh en Van Ditmar), In : Utrechts Dagblad, 17-2-1934.

[14] DEN HAAN, J., Talking shop, zijnde de boutade van een boekverkoper  en beschrijvende diens zwarigheden, problemen en torturen,  mitsgaders nuttige wenken en raadgevingen inzake het vinden  van het juiste antwoord op netelige vragen. Uit de practijk opgetekend.  Bussum, 1946. p.48-49.

[15] GALEN LAST, H. VAN, Nescio, In : Haagsch Dagblad, 26-11-1947.

[16] "Titaantjes", p.62.

[17] GOMPERTS, H.A., Ironie en tragiek der doelloosheid, In : Het Parool, 20-6-1952.

[18] GRESHOFF, J., Hoe moet men schrijven om klassiek te worden ?, In De Nieuwe Rotterdamsche Courant, 6-3-1948.

[19] KRONKEL, Legende, In : Het Parool, 24-1-1964.

[20] DINAUX, C.J.E., Nescio, In : C.J.E. DINAUX, Herzien bestek. Amsterdam, 1974. p.26-32. 

[21] GERRITSEN, W.P., Nescio, In : Forum Academiale, algemeen Nederlands studentenblad, 4-5-1957.

 
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina