Nescio in het secundair onderwijs: een vergelijkende kritische studie van 5 Zuid-Nederlandse handboeken

Paul Eyckens

 

DEEL I : STUDIE VAN DE SCHRIJVER: Oeuvre: Waarderingsgeschiedenis: Waardering in Nederland: 1961-nu

   
     
   

b.3.) 1961-nu

In april 1961 verschijnt de bundel "Boven het dal en andere verhalen" (in een oplage van 4000 exemplaren), die Nescio in de inleiding zijn "literaire nalatenschap" noemt "alsof ik inderdaad overleden was".[1] Hijzelf overlijdt drie maanden later.

De stroom van reacties die op deze twee gebeurtenissen volgt en tot op de dag van vandaag is blijven aanzwellen, de talloze herdrukken van zijn werk, die regelmatig en in steeds grotere oplagen verschijnen, de idolate bewondering die met name veel jongeren nu voor Nescio hebben [2], dit alles wijst er viel op dat Nescio's naam én faam definitief gevestigd is en dat de criticus Van Til terecht kan zeggen dat "er een duidelijke consolidatie In de waardering van Nescio (is). Nu kan eigenlijk niemand meer aan hem voorbijgaan. Hij ligt nu vast als een van de weinige schrijvers die klassiek konden worden zonder een boekenplank vol te hebben geschreven." [3]

De klacht zoals die door Jan Eijkelboom werd geformuleerd dat Nescio 'behalve de grootste weinigschrijver van onze literatuur, ongetwijfeld ook de schrijver (is) geweest van wie het vaakst is gezegd dat hij te weinig wordt genoemd " [4] , heeft kwantitatief gezien haar geldigheid dan ook verloren.

Dat het pleit onontkoombaar leek beslecht te zullen worden ten gunste van een schitterende toekomst voor dit toch wel fascinerende oeuvre, zag de schrijver H. Van Straten al zeer scherp in 1959 : "Als deze tendens zich voortzet, zullen zijn verhalen de bestseller zijn van het jaar 2000. Er is geen twijfel mogelijk : Nescio is onze meest hér-lezen auteur." [5]

Nescio's eerste bundel is nu al aan zijn 22ste druk toe en "Boven het dal en andere verhalen" is ook al 13-maal herdrukt. Dezelfde "escalatie" is vast te stellen voor de secundaire literatuur óver Nescio's werk.

Deze ontwikkeling maakt het onmogelijk om uit de stortvloed van artikelen uit de voorbije twee decennia een ook maar enigszins representatieve keuze te maken. Ik zal m daarom beperken tot die recensies die een nieuw gezichtspunt toevoegen aan het tot nu toe geschetste beeld van Nescio. Tevens zullen enkele verrassende bijdragen tot de Nescio-studie vermeld worden.

De uitgever Van Oorschot schrijft naar aanleiding van Grönlohs begrafenis een stekelig stukje in ''Tirade'', waarin hij alle grote afwezigen, instanties zowel als individuen, aan de kaak stelt : "De begrafenis van de schrijver Nescio heeft niet plaatsgevonden. De onbekende heer J.H.F. Grönloh is in de ochtend van de 28ste juli begraven. ( ... ) Het is eigenlijk allemaal gegaan zoals het gaan moest. Geen officieel eerbetoon, geen georganiseerde letterkunde en huichelarij aan het graf. Geen stoet van bewonderaars, die er altijd bij moeten zijn om vooral ook gezien te worden. (...) De schrijver Nescio is begraven zoals hij geleefd heeft. Zonder officiële erkenning. In alle stilte." [6]

Interessant is ook dat op 24 juli 1964 door de VARA een programma werd uitgezonden dat volledig aan Nescio gewijd was. [7] Door middel van interviews met zijn weduwe, zijn oudste dochter, zijn mededirecteur op de Holland Bombay Trading Company, de uitgever G. Van Oorschot, de criticus N. Donkersloot en de schrijvers Gerard Reve (toen nog Van het Reve), J. Bernlef en Remco Campert, werd getracht een beeld te geven van Nescio's leven en werk.

Het is in dit programma dat Donkersloot de term "fluistercampagne" lanceert :

"In 1925, '26 kwam ik onder andere in aanraking met Bloem, en Bloem is het geweest die mij op Nescio heeft gewezen. Die heeft me gezegd : dat moet je lezen. (...), en dat ging eigenlijk onder schrijvers, altijd nog maar een kleine groep natuurlijk, van mond tot mond, ik zou het een soort fluistercampagne willen noemen, -maar langzamerhand werd dat hardop-, dat dát iets bizonders was." [7]

De drie schrijvers die aan bod kwamen, deden hoegenaamd geen moeite om hun grenzeloze bewondering voor Nescio te verbergen.

Zo zegt Bernlef : "Aan de boeken van Nescio gaat men een waarde hechten, die zó groot wordt dat ze, althans voor mij, gaan behoren tot die weinige boeken die ik beslist niét uitleen, aan niemand." [7]

En Remco Campert :

"Nescio is de grote schrijver van een klein oeuvre. Het is de wonderlijke kracht van zijn schrijven, dat wat we van hem kennen toch niet de indruk maakt van een klein oeuvre, maar eerder die van wat er van het werk van een groot schrijver zou overblijven als de tijd zijn selecterende plicht gedaan heeft." [7]

Campert ontmaskert ook de zo vaak geponeerde eenvoud van Nescio's oeuvre :

"Die eenvoud is maar ogenschijnlijk, zoals ook zijn humor ogenschijnlijk is. Achter beide elementen voelt men een gemartelde gecompliceerdheid. Het gemak waarmee Nescio vertelt is het gemak van de trapezewerker, hoog in de nok van het circus, die als het er op aankomt minder met zijn reikhalzende publiek heeft te maken, dan met de beheersing van zijn lichaam." [7]

Tenslotte worden ook Nescio's taalvirtuositeit en beschrijvingskunst door Campert treffend verwoord :

'Vat hij met die taal deed, vind ik nog steeds een wonder; men moet het lezen om het te geloven. Nescio is de meest grandioze (... ) beschrijver van het Nederlandse landschap die ik ken. Wie niet van de Nederlandse natuur houdt, zal er een harde dobber aan hebben om die, gezien door Nescio's liefhebbende, maar nooit vertekenende blik, niet tóch te gaan beminnen." [7]

Deze schrijvers hebben ook een goede kijk op de oorzaken van de trage erkenning van Nescio's werk.

Zo zegt G. Reve : "Nescio schreef, nadat er tientallen en tientallen jaren tonnen hoogdravende onzin over de Nederlandse lezer waren uitgestort, als een gewoon mens. Dat heeft zijn erkenning moeilijk gemaakt. Mede daarvoor, geloof ik, is zijn werk nooit naar waarde geschat." [7]

En Bernlef :

"Is er een mooier begin denkbaar voor een novelle (bedoeld is de eerste zin van "De Uitvreter" , P.E.). Eén zin waarin zoveel informatie, zo'n enorm goed portret van de hoofdpersoon wordt gegeven. Maar 't is geen informatie en geen portret die aan de oppervlakte van het verhaal liggen, en ik geloof dat dat ook de reden is waarom Nescio zolang veronachtzaamd is in de Nederlandse literatuur. Als we hier een literatuurboek van 1951 bekijken, dan zien we dat aan Nescio 6 regels worden gewijd, aan P.H. Van Moerkerken ongeveer 30, aan Aart Van der Leeuw 35 regels." [7]

Voor Gerard Reve is Nescio zijn grote leermeester geweest :

"Hij heeft een grote invloed op mijn werk gehad en heeft dat eigenlijk nog steeds. En ik bedoel dat niet zozeer wat betreft de stijl, maar meer wat betreft de visie. Ik voltooi eigenlijk geen bladzij, zonder dat ik tenminste een keer aan Nescio heb gedacht. Ik citeer hem zoals U weet geregeld, maar de invloed in zijn geschriften op mij uit zich niet zozeer in wat ik schrijf, als wel wat ik niét schrijf, want ik geloof dat hij mij behoedt voor die al te lachwekkende grootheidswaan." [7]

Reves "Viertien etsen van Frans Pannekoek" is geheel in Nesciaanse trant geschreven.

Ook Jaap Harten geeft in zijn boek "Garbo en de broeders Grimm" blijk van grote beďnvloeding vanwege Nescio. Hoe een jongere generatie schrijvers in de ban kan komen van Nescio's oeuvre zien we bijvoorbeeld in het creatieve werk van Hans Plomp, in wiens debuutroman "De Ondertrouw", de ik-persoon verslag doet van zijn zoektocht naar Nescio :'"Ik wilde het hem zelf gaan vertellen, Nescio, hoe alles daar in Noord verpest wordt. Ik dacht dat hij nog leefde. Eerst zocht ik in het telefoonboek. Nergens een Nescio ( ... ) Ik was pas een jaar of vijftien, zestien. Ik dacht dat zijn boeken pas tien jaar oud waren of zo." [8]

Andere collega-bewonderaars zijn o.a . K. Schippers, L.P. Boon, W.F. Hermans en S. Vinkenoog, die allen zeer enthousiaste artikels over Nescio geschreven hebben.

In 1964 kwam voor het eerst een werkelijk diepgaande en objectieve studie van Nescio's oeuvre op gang. daarvóór waren de recensies voornamelijk gebaseerd op individuele voorkeuren en dus een subjectieve literatuurbenadering (waarbij de relaties werk-wereld, en vooral werk-schrijver vooropstonden), iets wat vaak tot "Hineininterpretierungen" heeft geleid.

Kees Fens is één van de eersten geweest die Nescio's oeuvre bestudeerden door zich strikt aan de tekst te houden, zonder zich door persoonlijke opinies of kennis van Nescio's biografie te laten beďnvloeden.

Hij onderzocht in "Dichtertje" de verhouding tussen de schrijver en de hoofdpersoon, waarbij hij voor het dichtertje vooral een exemplarische functie ziet weggelegd, namelijk de uitbeelding van "de hulpeloze toestand en opstandigheid van de kleine mens. " [9]

Een jaar later, in 1965, gaat Koos Geenen op zoek naar de religieuze dimensie van Nescio's oeuvre in een lange recensie met de veelzeggende titel "Nescio, cynicus of mysticus ?"

Geenen voegt hiermee een belangrijke dimensie toe aan het traditionele beeld van Nescio, namelijk een Nescio die niet louter van zichzelf spreekt, maar van iets "wat niet van deze aarde is", zoals Nescio het zelf formuleerde. [10] "De reden van zijn eigen bestaan heeft hij niet geweten", besluit Geenen, "maar vanuit dat niet-weten schreef hij een oeuvre, dat om zijn waarachtigheid onvergankelijk zal zijn." [10]

In de jaren '70 en '80 zet deze trant van objectief-wetenschappelijk onderzoek zich verder. Er zullen ook veel literair-historische artikelen over Nescio geschreven worden, en in 1971 waagt de werkgroep literatuursociologie van de Vrije Universiteit van Amsterdam zich voor het eerst aan een literatuur-sociologisch onderzoek van Nescio's "Titaantjes". [11]

Een belangrijk punt van discussie is nog steeds in hoeverre men Nescio's novellen autobiografisch kan of mag interpreteren, iets waarover ik het reeds in de inleiding op de biografie gehad heb.

Het lijkt erop dat de critici zich er wat al te vaak toe hebben laten verleiden om de ikpersoon in Nescio's werk integraal te vereenzelvigen met de "persona practica" J.H.F. Grönloh, waardoor de biografische studie van Nescio sterk is verwaarloosd.

Het is de criticus Sitniakowsky die zich hier als eerste van bewust wordt: "Nescio is tegelijk een van onze populairste en geheimzinnigste schrijvers. Iedereen kent zijn naam, velen hebben zijn verhalen gelezen, maar over zijn persoon schijnt niemand ons te kunnen inlichten." [12]

In 1954 deed Nescio, zinspelend op de moeilijke verkoop van de vierde druk van zijn bundel, in een briefkaart aan zijn vriend Van Leeuwen, de volgende voorspelling : "Overigens : maakt U zich niet ongerust : er is nog altijd een jeugd waar mijn boekje op sist als een druppel op de gloeiende kachel." [13]

De oplagecijfers van de vele herdrukken geven hem meer dan gelijk. (Zijn debuutbundel is op het ogenblik aan zijn 23ste druk toe en in de periode van 1961 tot 1971 werden er van "De Uitvreter" alleen al 61.800 exemplaren gedrukt).

De volgende appreciaties van bekende critici liegen er ook niet om.

Kelk spreekt van "een meester-voorloper van het moderne proza" [14] en Simon Vinkenoog heeft het in verband met Nescio's verhalen over "de mest waardevolle bezittingen waarop de Nederlandse literatuur trots kan zijn.'' [15]

Tenslotte kan nog vermeld worden dat in 1984 door "The Nits", een Nederlandse popgroep, een liedje werd gemaakt over Nescio, dat zelfs bijna een hit werd. Toch wel een aanduiding dat Nescio bij een jongere generatie nog steeds aanslaat.

Ook de televisiebewerking van "Titaantjes", die de NCRV in 1975 uitzond, deed het goed bij het jeugdig publiek.

Of aan de recente diefstal van het standbeeld "Hommage aan Nescio" [16], dat op 9 oktober 1971 in het Oosterpark te Amsterdam werd onthuld, een symbolische waarde moet toegekend worden, laat ik in het midden.

Ik denk in alle geval dat Nescio zelf er niet zwaar aan getild zou hebben.

   

[1] "Boven het dal en andere verhalen", p.13 (Inleiding I).

[2] Zie o.a. de volgende artikels : SITNIAKOWSKY, I., Nescio blijft in het duister, In : Algemeen Handelsblad, 20-9-1969. HERMANS, W.F., Nescio's onvolwassenen, In : W.F. HERMANS, Boze brieven van Bijkaart. Amsterdam, 1977. p.111-115. EGGINK, C., 'Daar had je het nu. Dat was het'. Nescio zijn bloed uit zijn hart geschreven, In : De Telegraaf, 5-7-1958.

[3] WIEREMA, T., Nescio, een zucht van de wind door de kruinen van ons proza. Tien jaar na de dood van J.H.F. Grönloh staat neerlandicus Van Til nog voor vele raadsels, In : Vrij Nederland, 24-7-1971.

[4] EIJKELBOOM, J., Nescio II, In : Vrij Nederland, 4-11-1961.

[5]  STRATEN, H. VAN, Toen bliezen de poortwachters. Proza en poëzie van 1880 tot 1920. Amsterdam, 1959. p. 124-130 (Salamanderreeks 28).

[6] OORSCHOT, G.A. VAN, Nescio gestorven, In : Tirade, jrg. 1961 (juliaugustus), p.437-440.

[7] DE BIJ, H., Signalement Nescio, o.c.

[8] PLOP, H., De Ondertrouw. Een somber herenboek in negen hoofdstukken. Den Haag, 1968. p.112-114.

[9] FENS, K., Opstand tegen twee goden, In : K. EENS, De gevestigde chaos. Amsterdam, 1966. p.53-59.

[10] "Boven het dal en andere verhalen", p.86 (Uit "Insula Dei").

[11] Literatuursociologisch onderzoek van Titaantjes van Nescio. Verslag van de werkgroep literatuursociologie. Uitgevoerd door B. Wessel, C. Wouters en L. Hagenaars. Amsterdam, 1971.

[12] SITNIAKOWSKY, I., Nescio blijft in het duister, o.c.

[13] LEEUWEN, W.L.M.E. VAN, Avonden op Drienerwolde; Nescio, In : W.L.M.E. Van Leeuwen, Avonden op Drienerwolde. Amsterdam, 1966. p.144-146.

[14] KELK, C.J., Ik kéék alleen; Nescio, In : C.J. Kelk, Ik kéék alleen. Brugge, 1968. p.94-96.

[15] VINKENOOG, S.,'Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd'... Nescio (75) : geen veelschrijver, In : De Haagse Post, 6-7-1957.

[16] Deze plastiek werd vervaardigd door de beeldhouwer Hans Bayens en stelt drie titaantjes voor. Het kunstwerk werd in het begin van 1986 uit het Oosterpark ontvreemd.

 
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina