|
c) Waardering in Vlaanderen
De geschiedenis van de Nescio-waardering in Vlaanderen begint pas in 1936 [1], maar het woordje "waardering" heeft in dit geval allerminst een
positieve connotatie. In dat jaar immers drong Nescio's naam, maar zeker niet zijn faam,
door in onze contreien. Het was de priester Joris Baers die zich over de zondaar ontfermde
door hem op te nemen in zijn "Lectuur-Repertorium". [2]
De manier waarop hij dit deed, ontlokte Nescio de uitroep : "Dit moet op mijn graf
!" [3]
De "typering" van Nescio's schrijverschap komt in feite neer op de
vermelding van de drie novellen die Nescio tot dan toe geschreven had, vergezeld van een
vermanende zedelijke quotering als waarschuwing voor de lezer. Bovendien ment Baers dat
Nescio in werkelijkheid Nico Eisenloeffel heette en is hij ervan overtuigd dat Nescio ook
gedichten schreef. Het is overigens waarschijnlijk ten gevolge van deze kwalijke
introductie van Nescio in Vlaanderen dat hij daar lange tijd op de index heeft gestaan [4]
en dat zijn oeuvre aanvankelijk als anti-godsdienstig werd beschouwd. Het lemma
over Nescio leert echter meer over Baers en de toenmalige literatuuropvattingen in
Vlaanderen dan over de schrijver.
Belangrijker is dan ook een recensie die L.P. Boon in 1951 schreef en die de waardering
van Nescio in Vlaanderen een hele duw in de goede richting gaf. Boon geeft weliswaar een
verkeerde geboortedatum op, maar zijn visie op Nescio's levensbeschouwing is ongetwijfeld
een heel stuk dichter bij de waarheid (in zoverre men bij dergelijke zaken van waar of
onwaar kan spreken) en bovendien zeer kernachtig geformuleerd :
"Het werk van Nescio is dat der teleurstelling (...); in Holland verschenen een
paar verhaaltjes, zo ontroerend, zo smartelijk, zo ontstellend, om de leegheid en de
ijdelheid van al wat deze wereld slechts te bieden heeft. Teleurstelling, omdat er
tenslotte zo weinig terechtkomt, van al wat een mens zich van het hele leven voorstelde.
Dat is de voornaamste inhoud van Nescio's werk. En hij die dát zo onomwonden heeft durven
schrijven, is eerlijk geweest gelijk geen. " [5]
En over de beperkte omvang van Nescio's oeuvre : "Hoop en al een twee honderdtal
bladzijden : dat is het verzameld werk van Nescio. (Nescio's twee laatste bundels waren
toen nog niet verschenen, P.E.). Het is niet veel, zegt ge. En toch, dan vergist ge u.
Ontneem deze enkele bladzijden aan de Noordnederlandse literatuur, en wat blijft er buiten
Multatuli, van over ?" [5]
Boon besluit dan ook dat hij "die twee bundeltjes van Nescio" verkiest
boven "onze ganse literatuur''. [5]
Het is echter vooral sinds 1961 dat Nescio enigszins bekend raakt in Vlaanderen (zij
het dan nog altijd in beperkte kring), dit dank zij de promotie door twee recensenten van
het Gentse dagblad "Vooruit" : Richard Mime en, weer, L.P. Boon. In diverse
artikelen geven belden blijk van hun intense bewondering voor deze schrijver.
'Wie met een bladzijde van Nescio kennis gemaakt
heeft", meent Minne, "wil nog meer, en zo mogelijk alles
van hem lezen. En nader kennis maken én met de schrijver én met
de mens." [6]
En Boon besluit zijn artikel uit 1961 als volgt : "Nooit
werd iets mooier in onze hele Noord- en Zuidnederlandse literatuur geschreven, en nooit
heeft het zolang geduurd om de mooiheid van dergelijk soort werk naar waarde te doen
schatten." [7]
Ook in zijn scheppend werk gaf Boon zijn waardering voor Nescio te kennen, zo
bijvoorbeeld in het verhaal " 't Is
mooier dan Parijs" : "En ik zou u heet water, de verten, en de luchten willen
beschrijven, maar u kunt dan veel beter Nescio nog eens herlezen. Nescio is een levenlang
naar die ondergaande zon weest kijken, om er dan een paar regels te kunnen over
schrijven." [8]
In een artikel van dezelfde Boon lezen we hoe Nescio in 1969 nog altijd een volslagen
onbekend figuur was voor de meeste Vlamingen : "Eens heb ik hen over Nescio verteld,
en toen lachten ze zich ziek, want dat moest een Griek of zo zijn." [9]
Jammer genoeg is aan deze situatie, 17 jaren later, nog steeds niet veel
veranderd. Als we er een aantal recente Vlaamse literatuurgeschiedenissen op nalezen,
stellen we vast dat Nescio daar ofwel helemaal niet, ofwel slechts zeer vluchtig vermeld
wordt.
Zowel Bauer, Kruyskamp als Lissens, toch allen gezaghebbende literatuur critici in
Vlaanderen die ook Noord-Nederlandse auteurs behandelen, schijnen nooit van de schrijver
Nescio gehoord te hebben. Ook in de "Nederlandse literatuurgeschiedenis" van
Aerts, een werk dat wat de periode 1830- (ca.) 1940 betreft, toch als één van de meest
uitgebreide literatuurgeschiedenissen in Vlaanderen mag beschouwd worden, komt de naam
Nescio niet voor.
Het is dan ook erg vreemd te moeten vaststellen dat, terwijl de meeste Vlaamse
literatuurgeschiedenissen Nescio volledig negeren, de samenstellers van een aantal
algemene (Noord-Nederlandse) naslagwerken Nescio blijkbaar wel belangrijk genoeg vinden om
hem op te nemen. Zo vinden we in "Sesam encyclopedie"[10],
"0osthoek encyclopedie" [11]
en de "Grote Winkler Prins" [12]
(maar niet in de 'Winkler Prins Encyclopedie voor Vlaanderen") tamelijk
uitvoerige en uitermate lovende besprekingen van Nescio. Twee Vlaamse
literatuurgeschiedenissen die Nescio wel vermelden, zijn "Acht Eeuwen Nederlandse
Letterkunde" van L. Rens en "Letterwijs, letterwijzer" van P. Van Aken. De
manier waarop zij dat doen, is echter weinig hoopgevend voor de Nescio-waardering. Rens
schenkt nog de meeste aandacht aan Nescio, alhoewel ook hij zich beperkt tot een zevental
regels. Hij geeft een foute geboortedatum van Nescio op, maar komt wel tot een treffende
typering van "Titaantjes" : "Zo volgt Nescio (...) met een sceptisch oog de
weg van Jonge, opstandige kunstenaars naar de geleidelijke verburgerlijking
("Titaantjes", 1918), waarbij zijn weliswaar wereldwijze sympathie geheel naar
de eerste fase gaat." [13]
Ook Nescio's stijl wordt goed gekarakteriseerd : "Nescio schrijft een helder-eenvoudige, soms verrassend poëtische stijl" [13]
en de
onvermijdelijke vergelijking wet Elsschot blijft ook hier niet achterwege.
"Toch", meent Rens, "blijft Nescio eigenlijk in
de periode van de eerste vernieuwing steken" [13],
een uitspraak die jammer genoeg niet nader toegelicht wordt. Ik
begrijp niet waarop Rens zich hiervoor baseert, want de meeste critici
zijn het er toch over eens dat Nescio's proza nog altijd zeer modern
en eigentijds aandoet (zie hoofdstuk C,1
en C,3,b van dit deel). Van Straten
zei zelfs dat "als deze tendens zich voortzet, ( ... ) zijn
verhalen de bestseller (zullen) zijn van het jaar 2000. Er is geen
twijfel mogelijk : Nescio is onze meest her-lezen auteur."
[14]
Dit zegt men normaal toch niet van een schrijver die "in de
periode van de eerste vernieuwing" is blijven steken. Ik vind
het dan ook merkwaardig dat Rens Nescio, die op alle gebieden anti-Tachtig
was en dat in zijn oeuvre, zowel stilistisch als inhoudelijk altijd
zeer goed liet merken. als een vertegenwoordiger van "de eerste
vernieuwing" beschouwt.
Ook in "Letterwijs, letterwijzer" van Van Aken, dat net als Rens'
literatuurgeschiedenis toch ook pas van 1979 is, wordt Nescio impliciet als een
derderangsschrijver opgevat : "Elsschot was een Antwerps zakenman die zich steeds
bewust buiten het literaire leven heeft opgesteld, ongeveer zoals zijn Nederlandse
"collega" Nescio (pseud. van J.H.F. Grönloh, 1882-1961). [15]
In het hele
verdere werk wordt er met geen woord meer over Nescio gerept.
Het is dan ook paradoxaal dat er in een Engelstalige literatuurgeschiedenis van het
Nederlandse taalgebied wel uitvoerig aandacht aan Nescio wordt besteed, zodat het zelfs
mogelijk wordt dat Nescio's werk in Engeland bekender is dan in Vlaanderen. Ik heb het
hier over het uit 1971 daterende "Literature of the Low Countries" van Reinder
Meier. Daarin wordt Nescio getypeerd als "the most original prose-writer of his
generation" [16],
en het besluit is : "His work constitutes the greatest small oeuvre in Dutch
literature." [16]
Er verschenen in Vlaanderen naast de reeds vermelde artikelen van Boon en Minne
sporadisch nog enkele recensies over Nescio (o.a. van J. Boyens : De grote domper. Nescio
: "Titaantjes" [17]), maar echt baanbrekend werk werd er niet meer verricht.
Ook in deze tijd schijnen zeer weinig mensen de schrijver Nescio te kennen, laat staan
dat ze ooit iets van hem gelezen hebben, zodat deze waarderingsgeschiedenis in
vergelijking met die van Nederland noodgedwongen erg kort is gebleven.
Persoonlijk heb ik wel de indruk dat er in Vlaanderen de laatste tijd toch meer schot
in de Nescio-waardering komt en dat met nam de Vlaamse universiteiten wat meer aandacht
aan zijn oeuvre gaan besteden, maar in hoeverre deze persoonlijke indruk overeenkomt met
de werkelijkheid is moeilijk na te gaan.
In hoeverre het onderwijs heeft "bijgedragen" tot de huidige onderwaardering
van Nescio in Vlaanderen zal duidelijk moeten worden in deel II van deze verhandeling.
|