Nescio in het secundair onderwijs: een vergelijkende kritische studie van 5 Zuid-Nederlandse handboeken

Paul Eyckens

 

DEEL I : STUDIE VAN DE SCHRIJVER: Oeuvre: Literair-historische achtergrond

   
     
   

C. Oeuvre.

C.1. Literair-historische achtergrond

Nescio schreef over een totale periode van maar liefst 57 jaar (van 1899 tot 1956, met tussendoor een stilte van 18 jaar, van 1922 tot 1940) en het is bijgevolg niet gemakkelijk om uit te maken bij welk "isme" of bij welke generatie van schrijvers hij eigenlijk thuishoort.

Zijn eerste natuurimpressies vertrouwde de jonge Grnloh in 1899 aan het papier toe.
De beweging van Tachtig was toen al grotendeels over haar hoogtepunt heen en ook Nescio distantieerde zich al duidelijk van de dwaze vormvergoding en de artistieke zelfverheerlijking la Kloos.

Dat blijkt o.a. wel uit zijn favoriete boek "Vincent Haman" van Willem Paap, "een boek, zoo vlijmend geestig van observatie en zoo uit de nabijheid gegrepen, dat het voor de Tachtigers in veel opzichten uiterst compromittant genoemd mag worden. Het teekent deze generatie van "letterkundigen"... als een troepje tamelijk belachelijke aestheten , verslaafd aan hun onnoozelen vormcultus en op jacht naar pietepeuterige verfijninkjes en goedkoop succes." [1]

Nescio's werk is hiermee sterk verwant. Toch noemt Ter Braak in hetzelfde artikel Nescio's novellen "het beste wat de stijl van Tachtig heeft voortgebracht", waaraan hij verderop nog toevoegt : "Het is een Tachtigersboek, maar van binnen uit gezien en daarom boven Tachtig uitgekomen." [1]

Dat Nescio's bundel "een Tachtigersboek" is, moet echter sterk betwijfeld worden.
Zijn taalgebruik staat diametraal tegenover het estheticisme van de Tachtigers; zijn stijl munt uit door eenvoud en een verrassend zuivere woordkeus, wars van elke vorm van mooischrijverij.

Nescio had een groot vertrouwen in de kracht van het gewone, alledaagse woord, en de geponeerde overeenkomsten in taal en stijl met die van de beweging van Tachtig zijn louter toevallig.

Wat viel opvalt is dat het Tachtigersprincipe "eenheid van vorm en inhoud" bij Nescio moeiteloos is bereikt.
Maar het is dan wel juist dankzij de eenvoud van vormgeving dat de inhoud, de visie van Nescio, die bij uitstek anti-Tachtig is, aan geloofwaardigheid en overtuigingskracht wint.

Nescio werd op basis van zijn stijl ook vaak ingedeeld bij de realisten ("Nescio behoort literair-historisch gezien tot de realisten" [2], meent Kees Fens, alhoewel hij onmiddellijk het volgende voorbehoud maakt : "Berusting en verlangen geven aan zijn proza die fijne melancholie die het ver boven het traditionele realisme doet stijgen"), maar veel meer dan een af en toe inderdaad minutieuze beschrijving van een landschap (die dan bovendien vaak erg impressionistisch aandoet) heeft hij daar toch niet mee gemeen.

Het wezenlijke verschil tussen Nescio en een realist is de onmiskenbare bezieling achter Nescio's schriftuur : de ik-verteller beleeft wat hij vertelt, hij is er op een zeer nauwe en onlosmaakbare manier mee verbonden. Hij beschrijft de omringende wereld nooit als een op zichzelf staand verschijnsel, hij gaat er zelf zeer intens in op.

De nadruk die critici in het verleden op problemen van de vorm plachten te leggen, iets wat vooral door de vertegenwoordigers van Forum aan de kaak werd gesteld, heeft er ook vaak toe geleid dat Nescio werd ingedeeld "bij al die ijverige naturalisten, die "hatti" schreven in plaats van "had hij" en zelfs "verachttenem" voor "verachtte hem." [1]

Gelukkig is dat vooroordeel allang uit de wereld geholpen. Met het naturalisme heeft Nescio niets dan uiterlijkheden gemeen. Deze verkeerde kwalificatie heeft echter wel een wezenlijke invloed gehad op de onbekendheid van Nescio's werk, want juist daardoor verdween hij voor lange tijd "bij de zoovelen, die al dan niet verdienstelijke novellen in naturalistenstijl hadden gebrouwen." [1]
Hiertegen protesteert met name Ter Braak zeer heftig : "Als er n Nederlandsch auteur is, die essentieel geen naturalist is, dan is het Nescio." [1]

De vraag dringt zich op waar Nescio dan wl thuishoort, als het noch bij de Tachtigers, noch bij de realisten of de naturalisten is.

Over het antwoord op die vraag bestaat geen echte eenparigheid, maar de meerderheid van de huidige critici ziet Nescio toch duidelijk als een vertegenwoordiger van de generatie schrijvers tussen 1900 en 1910, met andere woorden mensen als J.C. Bloem, A. Roland Holst, J. Van Nijlen, Jan Greshoff en J.A. dr Mouw (Adwata), met wier werk Nescio's oeuvre ongetwijfeld affiniteiten vertoont. Het zijn trouwens Bloem en A.R. Holst die Nescio "ontdekt" hebben, de zogenaamde bewonderaars van het eerste uur.

Van de belangrijke critici die Nescio in die periode situeren, moet vooreerst A. Van Til genoemd worden, een vooraanstaand Nescio-kenner : "Nescio is voor mijn gevoel -en dat is misschien aanvechtbaar- meer iemand van wat in de literatuurgeschiedenis als de generatie van '05 of '10 te boek staat." [3]

Dinaux deelt die mening : "Hij vergrijsde met de mythe van zijn jeugd, met de gulden legende van onze eeuw, die dagtekent uit haar eerste dertien jaren." [4]

En ook Kees Fens heeft het over "de ontegenzeggelijk aanwezige parallellen tussen Bloems "verlangen" en dat van Nescio." [2]

Tenslotte plaatst ook Knuvelder in de vijfde druk (1976) van zijn "Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde" Nescio nadrukkelijk bij de hoofdpersonen van wat hij noemt de "derde generatie 1905-1916." [5]

Het zijn inderdaad die eerste jaren van deze eeuw die het schrijverschap van Nescio voor een groot deel gedetermineerd hebben.
Dat blijkt ook wel uit het feit dat Nescio's stijl in 1940, als hij na 18 jaar de pen opnieuw ter hand neemt, geen enkele noemenswaardige verandering heeft ondergaan ! Allerhande modernistische vernieuwingsbewegingen lijken hem volledig voorbij te zijn gegaan.

In welke mate de biografische gegevens hebben bijgedragen tot de vorming en ontplooiing van de schrijver Nescio is reeds in het voorgaande deel behandeld.

Hier is de plaats om die periode literair-historisch wat nader te bekijken.

De schrijvers uit die tijd verkeerden in een soort ontnuchtering, na het revolutionaire en culturele optimisme van rond de eeuwwisseling.
Zij hadden het woordkunstideaal van de Tachtigers overwonnen, maar het hyperindividualistische subjectivisme van een tiental jaren terug bleef primeren, wat samenging met een intens gevoel van eenzaamheid en alinatie.
Deze kunstenaars hunkerden dan ook naar het herstel van een gemeenschap waar ze opnieuw gelukkig konden zijn. Zij projecteerden dit geluksverlangen (cf. Bloems eerste bundel "Het Verlangen") niet in een toekomstige, utopische gemeenschap, maar in een vage, voorbije en vaak exotische of mythische wereld (vgl. met het zogenaamde "Elysesche verlangen" van A. Roland Holst).
De essentie van hun kunst, die eveneens meer ethisch gericht werd, was een mengeling van weemoed, onbevredigd verlangen en filosofische berusting. [6]

Het behoeft geen betoog dat deze schrijvers de voorbode vormden van de neoromantische beweging uit het volgende decennium en het is juist op dat punt dat Nescio weer afwijkt van de typologie : zijn droge, uitgepuurde stijl en zijn nuchter-zakelijke kijk op het leven zijn allesbehalve romantisch. Toch lijken de overeenkomsten groot genoeg om voormelde critici gelijk te geven.

Nescio zelf zegt over die periode van zijn leven : "Het was een wonderlijke tijd." [7]
En, kijkend naar de contemporaine literaire publicaties van vr W.O. I, kunnen we hem daarin gelijk geven.

Kort vr zijn debuut in 1911 waren de "Vergeten liedjes" van Boutens verschenen, "Frank Rozelaar" van Van Deyssel, "Liederen en Balladen" van Van tier Leeuw, en nog iets vroeger de beide "Zwervers" van Van Schendel, "Quia Absurdum" van Van Suchtelen, en J.A. Dr Mouw (alias Adwata) hield reeds talrijke Franse, Latijnse en Griekse sonnetten in portefeuille, alsmede zijn pas in 1919 verschenen "Brahman".

In 1912 verscheen de eerste bundel "Verzen" van Leopold, herdrukken van "Gedichten" en "Verzen" van Van Vriesland, "De zonde in het deftige dorp" van J. de Meester, "De dans des levens" van Van Moerkerken, "Pan" van Gorter en "Uitzichten" van P.N. van Eyck, en nog een tijdje later "Belijdenis van de stilte" van A. Roland Holst en "Heleen" van C. van Bruggen.

Overigens was het niet verwonderlijk dat Nescio in dit gedrang van prominente literatoren op de achtergrond bleef.
Maar daar was ook nog een andere reden voor.
Het tweede decennium van deze eeuw, waarin Nescio zijn drie belangrijkste novellen publiceerde, werd immers op literair vlak gedomineerd door een sterke neoromantische tendens (die in de pozie nog vermengd werd met symbolistische invloeden).
Zoals reeds gezegd was Nescio alles behalve een romanticus (tenzij misschien in zijn grote liefde voor de natuur) en het valt dan ook te begrijpen dat de kritiek grote moeite had om zijn werk, dat van al de gangbare stromingen telkens riet iets te weinig had, te plaatsen.
Hij viel dan ook meestal gewoon buiten de literaire overzichten, of hoogstens onder een hoofdstuk als "Andere Prozaschrijvers" (waar men hem tot op de dag van vandaag nog vaak aantreft).

Dat zou pas veranderen in de jaren dertig, toen in het dan toonaangevende tijdschrift "Forum" een nieuwe soort van literaire kritiek gentroduceerd werd, waarbij de "vent" boven de "vorm" werd verkozen.

Ven liet bij de beoordeling van een schrijver de "persoonlijkheid" als eerste en laatste criterium gelden en dus de Inhoud boven de vorm prevaleren.

Ten getuige hiervan het volgende citaat uit een artikel van Ter Braak

"Terwijl alle mogelijke tweede- en derderangskrachten van om ende bij Tachtig nog altijd paradeeren in de historische traditie, gaat een Nescio, evenals een Willem Paap, schuil achter het getheoretiseer over vormproblemen, die hun beteekenis behoorden te verliezen, wanneer er gesproken wordt over een schrijver, die zijn beteekenis dankt aan zijn persoonlijkheid en niets anders." [1]

Samen met Elsschot en W. Paap werd Nescio door "Forum" van onder het stof opgedolven en tot "de schrijvers van de lijn Multatuli" gerekend, "anders gezegd de lijn van het 'gezond verstand' ". [8], wat Ter Braak in een ander artikel verduidelijkt als "het gezond verstand, dat de phraeseologie der maatschappelijke groepen met bijtend zuur aantast." [9]

Ondanks die onmiskenbare herwaardering, waardoor Nescio een tijdje uit het hoofdstuk "Andere Prozaschrijvers" werd weggehaald, leunt zijn werk (en ook op persoonlijk vlak waren er wrijvingen tussen "Forum" en Nescio) toch weer iets te weinig aan bij de ware Forum-ideologie opdat hij door de redactie onvoorwaardelijk zou kunnen aanvaard worden en een verdiende plaats in de galerij van hoogstaande literatoren zou krijgen.

Uit dit alles kunnen we besluiten dat Nescio literair-historisch erg moeilijk te situeren is. Niet omdat zijn oeuvre zo een grote periode uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis bestrijkt, maar wel wegens de eigenzinnigheid van zijn stijl en zijn karakter.

Nescio is iemand die zichzelf is gebleven, die nooit heeft willen meelopen met literaire modes. Wat hij schreef kwam van binnenuit ("Ik heb gezegd wat ik zeggen wou. En ik kan d'r niks meer uitkrijgen, als 't niet van binnen uit komt. Ik kan geen maatwerk fabriceren", verklaarde hij in 1961 [10] ), en de buitenwereld heeft daar weinig aan kunnen veranderen.

Viel werd hij in zijn adolescentiejaren sterk benvloed door de reeds beschreven heersende tijdsgeest en de sporen daarvan zijn nog aan te wijzen in zijn oeuvre, maar tenslotte is elke poging om Nescio definitief in een hokje te stoppen bij voorbaat tot mislukken gedoemd.

Kijken we maar even naar de hoeveelheid "ismen" of stromingen in de literatuur waar men heeft gemeend hem te kunnen onderbrengen : hij werd in de loop der tijden reeds een Tachtiger, een realist, een naturalist, een impressionist (o.a. door W.F. Hermans), een romantisch-realist, een Forum-schrijver en een vitalist genoemd, en zelfs verscheidene malen als een voorloper van de "Angry Young Men" en van de existentialisten (ik kom op deze verschillende classificaties van Nescio's oeuvre nog uitvoerig terug in punt C.3).

Uit al die verwarring kunnen we maar n ding besluiten : Nescio is een absoluut op zichzelf staand fenomeen in onze literatuurgeschiedenis, of zoals Bindels het zegt : "Nescio is als schrijver uniek in onze letterkunde. " [11]

   

[1] TER BRAAK, M., De 'binnenkant' van Tachtig en de charme van een 'buitenkant', In : Het Vaderland', 26-11-1933.

[2] FENS, K., Ogenblik en eeuwigheid, In : De eigenzinnigheid van de literatuur. Amsterdam, 1964. p.22-30.

[3] WIEREMA, T., Nescio, een zucht van de wind door de kruinen van ons proza. Tien jaar na de dood van J.H.F. Grnloh staat neerlandicus Van Til nog voor vele raadsels, In : Vrij Nederland, 24-7-1971.

[4] DINAUX, C.J.E., Nescio, In : C.J.E. DINAUX, Herzien bestek. Amsterdam, 1974. p.26-32.

[5] KNUVELDER, G., Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. 5de, geheel herziene druk. Den Bosch, 1976. p.577-583.

[6] Een meer gedetailleerde typering kan ondermeer gevonden worden in J.J. AERTS, Nederlandse literatuurgeschiedenis. De Nederlandse letterkunde sinds 1830, p.128-133 en in : C.J.E. DINAUX, Nescio, o.c.

[7] "Titaantjes", p.48.

[8] TER BRAAK, M., De non-conformist (Alexander Cohen), In : Het Vaderland, 21-3-1937.

[9] TER BRAAK, M., De stille kracht, In : Het Vaderland, 23-8-1936.

[10] LOGGENT, M. VAN, Nescio geeft na 50 jaar weer werk uit handen. Nieuwe verhalen uit zijn oude aantekeningen, In : Algemeen Dagblad, 7-1-1961.

[11] BINDELS, R., Nescio, o.c., p.27.

 
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina