Nescio in het secundair onderwijs: een vergelijkende kritische studie van 5 Zuid-Nederlandse handboeken

Paul Eyckens

 

DEEL I : STUDIE VAN DE SCHRIJVER: Oeuvre: Ontstaansgeschiedenis van Nescio's oeuvre

   
     
   
C.2. Ontstaansgeschiedenis van Nescio's oeuvre
Nescio's allereerste schrijfsels, zijn dagboeknotities buiten beschouwing gelaten, dateren uit 1899, namelijk de reeds vermelde lezingen voor de G.O.H.V
Deze blaadjes geven, zoals gezegd, een zeer goed beeld van Frits Grönlohs persoonlijke en stilistische evolutie in de richting van de latere Nescio.
 
Bovendien zijn deze geschriften zo belangrijk omdat nergens zo duidelijk Multatuli's invloed op Nescio kan aangewezen worden.
De gelijkenis tussen deze lezingen en Multatuli's "Ideeën" is inderdaad frappant. Ook de invloed van de "Max Havelaar" en de "Minnebrieven" kan moeilijk overschat worden en is op bijna elke bladzijde van de G.O.H.V.-papieren zichtbaar, zowel qua stijl als qua thematiek en levensopvatting. Niet voor niets ervaart Van Leeuwen een tragiek in Nescio's verhalen, "verwant aan Multatuli's "Woutertje Pieterse" en vele van zijn "Ideeën" ". [1]

De jonge Grönloh is even hartstochtelijk en radicaal als zijn zielsverwant. Net als Multatuli verkettert ook Grönloh-Nescio (want we zijn de schrijver Nescio hier al dicht genaderd) in zijn geschriften staat en maatschappij; hij veracht de autoriteiten, verwerpt de parlementaire democratie en houdt zijn lezers-toehoorders onophoudelijk het motto ''Mensch, denk" voor.

Behalve Multatuli's strijd tegen onrecht, zijn atheïsme en zijn afkeer van het parlementaire stelsel adapteert Nescio ook diens fonetische spelling, wat er vaak toe geleid heeft dat men hem als naturalist aanzag.
En tenslotte beroemt ook Multatuli zich vele malen op het feit dat hij niets weet.
 
De bekendste van die sarcastische redevoeringen is "De X Geboden", de -tot nu toe- laatste publicatie van Nescio (1971).
Ook het bekende "Heimwee" stamt uit de begintijd. In dit verhaal duiken voor het eerst de figuren Bekker en Ploeger op en ook de naam Adinda, zoals Nescio zijn geliefde in zijn geschriften placht te noemen.
 
Dan kwam de mislukking van het Tames-experiment, waarna Nescio in stilte afscheid nam van zijn activistische periode, een activisme dat plaats maakte voor ontnuchtering en distantie.
Dat vinden we voor het eerst terug in de korte schets "Mei 1907", waarin Nescio zich op subtiel-ironische wijze distantieert van zijn geëngageerde Jeugdjaren. De idealist maakt hier plaats voor de cynicus, de scepticus.

In 1907 voltooit hij ook "Venloër Grensbode" en in 1910 legt Nescio de laatste hand aan zijn eigenlijke debuut "De Uitvreter" (een geperfectioneerde herwerking van "Venloër Grensbode"), waarbij het oorspronkelijke pseudoniem "Koekebakker" is veranderd in "Nescio".

Hij stuurde het manuscript aanvankelijk naar het tijdschrift "Nederland", maar kreeg van redacteur Van Loghem als antwoord : "Ik vind de "Uitvreter" een uitmuntend stukje - voor mij; en ik ben bijna zeker dat mijn publiek het in 't geheel niet zou waardeeren. Ik moet het U dus, tot mijn spijt, terugzenden."

Nescio had echter meer succes bij het tijdschrift "De Gids", dat het verhaal in het januarinummer van 1911 opnam, zij het na de nodige wijzigingen en weglatingen.
Zo vond de redactie, bij monde van J.N. Van Hall, het tweede gedeelte *'veel te lang en te langdradig en in het geheel niet gecomponeerd" [2], ondanks de grote waardering die men voor de novelle had. De redactie zat dan ook "enigszins verlegen" [3] , aangezien ze het verhaal te goed vonden om af te wijzen maar te lang om te plaatsen.

Nescio ging dan over tot een aantal wijzigingen in de volgorde en het schrappen van een lange passage, en, na het wijzigen van de "godverdommes" tot "verdommes" en het schrappen van twee zinnen ("Hij wist precies hoe dik haar dijen waren. En wat zij gezegd had op onnoembare momenten") die aanstootgevend zouden zijn voor vele Gids-lezers, kon eindelijk tot publicatie worden overgegaan.

Nescio bleef in de volgende jaren duidelijk gefascineerd door de uitvreterfiguur. Dat bij maar moeilijk afstand kon nemen van deze fictieve vriend, blijkt uit de verhalen "Brieffragment", "Kortenhoef" en vooral "De Oester", allemaal geschreven tussen 1911 en 1913, maar pas veel later gepubliceerd in de bundels "Boven het dal en andere verhalen'' en "Heimwee en andere fragmenten".

Na deze herhaalde mislukte pogingen tot "opwekking" van de uitvreter ("En dan heb ik herhaaldelijk geprobeerd een vervolg te schrijven op de "Uitvreter", wat Goddank nooit gelukt is. Ons Lieve Heer was ook toen weer wijzer dan ik." [4] ), ging Nescio zijn aandacht op de andere personages uit Me Uitvreter" richten.

Dat resulteerde in 1914 in de beroemde novelle "Titaantjes", die pas anderhalf jaar later (juni 1915) in het tijdschrift "Groot-Nederland" verscheen.

Nescio had zijn nieuwe verhaal aanvankelijk opnieuw naar "De Gids" opgestuurd, maar nu zou ook die redactie serieuze bedenkingen maken : ondanks "goede en oorspronkelijke gedeelten" kon "Titaantjes" niet worden aanvaard, omdat "de goedkope aardigheden, waarvan God het onderwerp of voorwerp is" volgens de redactieleden "onder 90 procent van de Gidslezers groote ergernis zou wekken." [5]

Wel werd nog getracht, door middel van veel schrappen en wijzigen (o.a. wordt door Van Hall het woord "God" door "Zeus" vervangen) het verhaal alsnog "Gids-fähig" te maken, maar Nescio weigerde in deze verminkingen toe te stemmen.

Na veel onderhandelen werd de novelle dan uiteindelijk door "Groot-Nederland' aanvaard, vooral dankzij de hulp van redactiesecretaris Frans Coenen, op wie Nescio daarna nogmaals een beroep zou doen om zijn invloed aan te wenden bij uitgeverij "De Wereldbibliotheek" om zijn beide novellen te laten bundelen. L. Simons, directeur van de bewuste uitgeverij, weigerde dit echter, want "Onbekende novellenschrijvers zijn absoluut onverkoopbaar in de W. B." [6]
Hij vindt dan ook dat Nescio maar eens een echte roman moet schrijven.

De schetsen "Het begin" en "Verliefdheid" (beide uit 1919) zijn pogingen daartoe, maar Nescio was duidelijk geen man voor de lange adem : "Ik heb maar weinig romans ontmoet die niet veel beter veel korter gekund hadden", schreef hij in een brief aan Agnes Maas.

Intussen gebeurde met Nescio hetzelfde als na het schrijven van "De Uitvreter" : hij kon moeilijk afscheid nemen van zijn personages. ("Titaantjes was toen al een half jaar voltooid, maar zij wilden mij niet verlaten." [7] )
Hij raakte dan ook in een soort impasse en gedurende ruim drie jaar schreef hij bijna niets meer.
 
Dan voltooit hij in één maand tijd de novelle "Dichtertje", die in juli 1917 klaar is, maar pas in april 1918 in de boekhandel verkrijgbaar zal zijn.
Er waren immers weer moeilijkheden geweest met "Groot-Nederland" wegens Nescio's oneerbiedige benadering van God, iets waar vooral redactielid Louis Couperus aanstoot aan nam.

De redactie stelde een ultimatum : enkel plaatsing zonder de "godslasterlijke" inleiding.

Op dat ogenblik echter kwam voor Nescio als een soort "deus ex machina" heet aanbod van de Haarlemse uitgever en kunsthandelaar J.H. De Bois uit de hemel gevallen. Die was bereid de drie novellen in één uitgave te bundelen, waardoor hij niet alleen Nescio's problemen met "Groot-Nederland" oploste, maar tevens een lang gekoesterde wens van de schrijver in vervulling deed gaan.

Men zou verwachten dat Nescio van dan af tot de meer populaire literatoren ging behoren, maar het succes bleef uit.

Aan de kritiek zal dat zeker niet gelegen hebben, zoals vaak ten onrechte verondersteld wordt.
In 1918-1919 verschijnen er in totaal elf besprekingen van Nescio's bundel, die alle variëren van enthousiast tot zeer lovend.

Desondanks bleef de verkoop achter. De 500 exemplaren van de eerste druk geraakten pas in 1933, 15 jaar later dus, uitverkocht.

De belangrijkste oorzaak hiervoor is waarschijnlijk het feit dat De Bois, zoals hij zelf aan Nescio schreef, zijn boekenafdeling beschouwde "als kunst-uitgaven met beperkte oplagen, als iets precieus, dat niet aan alle kiosken verkrijgbaar is." [8]

De Bois zou zich voor de verspreiding dan ook beperken tot de literaire boekhandels in Den Haag en Amsterdam.

Buiten dit gebrek aan reclame is ook de tamelijk hoge prijs van het boek (drie gulden) ongetwijfeld een bepalende factor geweest voor het uitblijvend succes.
Vele, vooral jonge bewonderaars, wilden het boek wel kopen, zoals blijkt uit talrijke getuigenissen, maar moesten daar uit financiële overwegingen van afzien.

Een derde factor tenslotte die de stilte rond Nescio kan verklaren, is heet uitblijven van nieuw werk. Tot 1940 zette Nescio zo goed als niets meer op papier en werkte hij nog enkel aan zijn carrière als "koopman", zoals hij zichzelf placht te noemen.

Heet schrijven ging hem dan ook niet makkelijk af

"Als hij zat te schrijven was elk gerucht hem te veel. Vrouw en kinderen stuurde hij naar de achterkamer en hij kreeg woede-uitbarstingen als ze niet stil genoeg waren.
Hij leverde een vreemde aanblik op : een grote zware man, het hoofd gesteund in zijn handen, omwonden met een natte doek tegen de hoofdpijn." [9]

In 1922 schreef hij nog één tamelijk lange schets, "Najaar" en één korte, "Het dal der plichten", en dan 18 jaar niets meer.

Een verklaring hiervoor is moeilijk te geven. Was het omdat zijn pogingen om "het dikke boek te schrijven, ... dat iemand toch geschreven moet hebben om beroemd te worden, naar ze zeggen." [10] telkens weer mislukten en dat hij daardoor zijn literaire capaciteiten in twijfel ging trekken, of kwam het door de geringe respons op zijn eerste bundel, of omdat het zakenleven hem al te zeer in beslag ging nemen ?

Nescimus, moeten wij zeggen, maar het feit dat Nescio pas na zijn pensionering opnieuw begon te schrijven, pleit toch voor de laatste veronderstelling.

In 1940 voltooide Nescio dan de schets "Najaar", maar zijn plannen tot publicatie werden verijdeld door het uitbreken van de oorlog.

In 1946 verschenen bij "De Bezige Bij" onder de titel "Mene Tekel" een aantal fragmentarische schetsen, kleine stukjes in de sfeer en toon van zijn vroeger werk.
Het is alles samen niet meer dan 44 bladzijden en vaak van mindere kwaliteit, maar belangrijk is dat deze publicatie de aandacht weer op Nescio's debuutbundel vestigde. Die zou van dan af regelmatig herdrukt worden en de waardering voor Nescio begon langzaamaan te groeien, een groei die zich nog altijd verderzet en waarvan het einde nog niet in zicht is.

In 1961, vlak voor zijn dood, verscheen bij de uitgever G.A. van Oorschot de bundel "Boven het dal en andere verhalen".

In 1942 had Nescio aan één van zijn dochters immers een pakketje overhandigd met de woorden : "'t Is oorlog - ik weet niet wat er met mij gebeuren zal. Bewaar dit voor me." [11]

Dit pakketje kwam pas 19 jaar later weer boven water en bleek toen twee dikke cahiers te bevatten, waarin Nescio de bundel "Boven het dal" persklaar had opgeschreven.
De "andere verhalen" zijn na 1942 geschreven en met instemming van Nescio aan de oorspronkelijke bundel toegevoegd.

Tenslotte verscheen in 1967, ook bij Van Oorschot, nog de bundel "Heimwee en andere fragmenten", een overdruk van het februarinummer uit 1962 van "Tirade", waarin alle niet eerder gepubliceerde verhalen en fragmenten uit Nescio's literaire nalatenschap verzameld werden.

   

[1] LEEUWEN, W.L.M.E. VAN, Naturalisme en Romantiek. Proza en critiek in Nederland sinds 1880, met bloemlezing. Groningen, 1935. p.271-273.

[2] Uit een brief van 20 september 1910 van Van Hall aan Nescio. Wordt vermeld in : L. FRERICHS, Voorgeschiedenis van de eerste druk van 'Dichtertje', In : Nescio. Dichtertje. De Uitvreter. Titaantjes. (facsimile-uitgave van de eerste druk). 's Gravenhage, 1982. p.I-VIII.

[3] Uit een brief van 15 november 1910 van Van Hall aan Nescio. Wordt vermeld in : L. FRERICHS, o.c., p.I-VIII.

[4] "Boven het dal en andere verhalen", p.111 (Inleiding op "Kortenhoef").

[5] Uit een brief van 28 april 1914 van Van Hall aan Nescio. Wordt vermeld in : L. FRERICHS, o.c., p.I-VIII.

[6] Uit een brief van 28 juni 1915 van Van Hall aan Nescio. Wordt vermeld in : L. FRERICHS, o.c., p.I-VIII.

[7] "Boven het dal en andere verhalen", p.9 (Inleiding I).

[8] Uit een brief van 29 maart 1919 van De Bois aan Nescio. Wordt vermeld in : L. FRERICHS, o.c., p.I-VIII.

[9] DE JONG, E. en K. SCHIPPERS, De eenzaamheid van Nescio, In : De Haagse Post, 17-11-1971.

[10] "Boven het dal en andere verhalen", p.157-158 (Uit "De Profundis").

[11] KRONKEL, Nescio (I), In : Het Parool, 14-12-1960.

 
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina