| |
Het begin van Titaantjes

Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu veel
wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. Wat hebben
we al niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten zien hoe 't moest.
We, dat waren wij, met z'n vijven. Alle andere menschen waren 'ze'. 'Ze', die
niets snapten en niets zagen. 'Wat?' zei Bavink, 'God? je praat over God? Hun
warme eten is hun God.' Op enkele 'goeie kerels' na werd iedereen door ons veracht.
Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: 'En niet ten onrechte', maar dat mag niemand
hooren. Ik ben nu geen held meer. Je weet niet hoe je de menschen nog eens noodig
kunt hebben. En Hoyer vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker
zie of hoor je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm op
den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer dwaasheid, de
uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu, alweer behalve Bavink,
en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg tegen Hoyer: 'we zijn er niet
op vooruit gegaan.' Maar Hoyer is al te ver heen, hij begint bij de bonzen van
de S.D.A.P. te hooren, en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n
schouders.
(uit: Nescio, Titaantjes, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam)
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|
|