|
Het begin van De uitvreter

Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond,
heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.
Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met
zijn vuile schoenen, als je 's avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren
oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld
van je leende en je schoenen opdroeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar
huis moest. Den uitvreter, die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als
een vorst jenever zat te drinken op 't terras van 'Hollandais' voor de centen van de lui;
die parapluies leende en nooit terugbracht; die een barst stookte in de tweedehandsch
kachel van Bavink; die dubbele boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van
Appi, en buitenlandsche reizen maakte als-i z'n ouwe heer weer had afgezet, en pakken
droeg, die hij nooit betaalde.
Z'n naam was Japi. Z'n achternaam heb ik nooit geweten. Bavink kwam met
hem aanzetten toen-i uit Veere terugkwam.
(uit: Nescio, De uitvreter, Nijgh & Van Ditmar,
Amsterdam)
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|