|
Le pique-assiette et autres récits

Begin van De uitvreter
Mis à part l’homme qui trouvait la rue Sarphati le plus bel endroit d’Europe, je n’ai jamais rencontré de type plus singulier que le pique-assiette.
Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.
Bijna-eind van De uitvreter
Un matin d’été vers quatre heures et demie, alors que le soleil se levait dans sa splendeur, il a enjambé le parapet du Waalbrug. Le garde l’a aperçu trop tard. "T’inquiète pas, vieux frère", avait dit Japi, et il était descendu, le visage tourné vers le nord-est. On ne peut pas dire qu’il a sauté, avait dit l’homme, il est descendu.
Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de gaten. ‘Maak je niet druk, ouwe jongen,’ had Japi gezegd, en toen was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten. Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er afgestapt.
Begin van Titaantjes
Des garçons, oui – mais gentils. C’est ce que nous étions. Et je le dis moi-même. À présent nous sommes bien plus sages, nous sommes pathétiques de sagesse, sauf Bavink, qui est devenu fou.
Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.
Citaten uit: Le pique-assiette et autres récits (Gallimard, 2005) en Verzameld werk (Nijgh & Van Ditmar/G.A. van Oorschot, 1996)
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|