| |
|
|

|
|
„ Je crois que, malgré ce qu'il raconte, Jacques Brel aime tout le monde. Je suis même persuadé qu'il aime tout particulièrement ceux qu'il engueule le
plus."
Georges
Brassens
|
misvormde voorstellingen van zaken, of het nu om de sinterklaasleugen gaat dan wel om godsdienstige drijverijen, of om leugens van liefde. Brel is
die levensgrote Don Quichotte met wie niet te
parlesanten valt. Hij neemt of laat en vervolgt zijn weg, een eenzame aftocht, een volwassenheid lang in het zadel op de scherven van zijn idealen.
In de eerste liedjes, vijfentwintig jaar geleden, pakt hij uit met naïeve boodschappen, derrière la saleté il nous faut regarder ce qu'il y a de beau, le ciel gris ou bleuté, les filles au bord de Peau... Frankrijk meesmuilt om deze padvinder, die al wat grof
klinkt veroordeelt, Frankrijk
doopt hem „l'Abbé Brel", hij ziet er onmiskenbaar Brussels uit, en luisterend naar zijn liedjes kun je hem een muzikaal Kuifje noemen, een doordrammer in een drollenvanger, lulletje
rozenwater.
Dan komt de kentering, Brel keert zich plotseling tegen de drie demonen die hem totnogtoe belet hebben zichzelf te zijn, te weten: „De Vlaamse Mentaliteit, De
Vrouw en De Katholieke Godsdienst. Weinigen zouden in zijn plaats die revolte aandurven, de zanger is goed en wel getrouwd en vader van twee dochters, maar Brel
wurmt zich uit de sentimentele tang en timmert intens
Vervolg... |
|
DEZE WEEK OP DE OMSLAG
Bovenstaand doekje voor het Vlaamse bloeden vind ik in een „Ten Geleide" van Georges Brassens, elf jaar geleden, ter
gelegenheid van Brels definitieve afscheid van de planken. Daarmee zit ik al middenin de „affaire", de kluif van het moment, maar ik wil graag de man
uittekenen vooraleer zijn nieuwe elpee (met dàt lied) ter sprake te brengen. Een portret zoals ik hem interpreteer.
Jacques Brel, voor wie ik een voorwaardelijke sympathie koester, is een lastig man, bij wie verstand en gevoelens vreemd verstrengeld zitten. Hij is een
uitgesproken romanticus die somber blijft rondwaren tussen de puinen van zijn droomkastelen. Brel als kind bezatte zich aan dromen, hij heeft nooit kunnen
verwerken dat sinterklaas niet bestaat en dat de far west nog uitsluitend overleeft in jongensboeken. Over zijn verloren gegane far west heeft hij tot vervelends toe getreurd, hij heeft er ook een mislukte film aan opgehangen.
Ik zie Brel het best als middeleeuws temperament, roofridder of graalridder, hoogtepaard met rinkelende sporen en een triomfzang op de lippen, maagden wervende en
tegenstanders over de kling jagend. En in stille kamers balladen op perkament krassend. Maar we leven tussen staal en beton en Recht en Onrecht zijn niet meer
simpel te onderscheiden, leugens zijn perfide geworden, moeilijk te ontwarren, te ontrafelen. Vandaar de poëtische razernij van Jacques Brel die kapot gaat aan
geveinsde en |
|
|
| KNACK - 23 november 1977 |
p. 1/5 |
|