De zwart-gele gal van Jacques Brel

Johan Anthierens

   
 

Gezinnen" en de KVHV'S die eisen dat het pamflet van onze golflengten wordt afgevoerd. Brel richt zich in een schuttingsterminologie tot de flaminganten die hij als imbeciele paljassen ten tonele voert, die hij brandmerkt als nazi's tijdens de oorlogen en als katholieken tussendoor. Hij constateert hun gebrek aan gevoel voor humor en verbiedt hen franstalige kinderen die hun niets in de weg legden in het Vlaams te leren blaffen. Hij verbiedt zichzelf onverschil lig te blijven tegenover dat „Vlaamse" gebeuren, en gispt zijn lotgenoten die de situatie wél ondergaan. Tussen dat Brelbraaksel drijft een zinnetje waarin hij eens te meer zijn Vlaming-zijn niet verloochent, ik citeer: „Wanneer gecivilizeerde Chinezen mij tijdens een onweersnacht vragen waar ik vandaan ben ontwijk ik, met een snik in de keel. Ik ben van Luxembourg".

„Les Flamingants" is een artistieke drol, het ontsiert de schijf waarop Brel met "Jaurès", „La ville s'endormait" en "Orly" zijn zingende tijdgenoten overklast.

 

Inhoudelijk ben ik het, zoals ik het voor de microfoon van „Jan en Alleman" getuigde, grotendeels met Brel eens. Ik vind dat de flaminganten geen humor hebben, ik beschouw het Vlaams dat wij spreken niet als een taal, ik erken dialecten en ik dweep met onze moedertaal, het Nederlands, maar als franstalige zou ik mij evenzeer tegen het Vlaams, zoals het er nog vaak uitziet, keren. En drie weken geleden, voor ik weet had van die uitbarsting van Brel, heb ik in mijn kroniek aangestreept dat weinig volkeren zo gauw gevoelig kunnen gemaakt worden voor autoritarisme als het Vlaamse, dat schreef ik aan de hand van velerlei ervaringen. Zo denk ik er over, ik hoop dat u met recht en reden met mij (en die zanger) van mening  verschilt. Wat ik Brel wel kwalijk neem is dat hij met dat eenzijdig protest op een dwaze manier in de kaart speelt van de fanatici van de Belgische overkant. Intelligente francofonen zitten verveeld met dat "cadeau" vanuit de Verre

Vervolg...

KNACK - 23 november 1977

p. 3/5

 
 
   

Terug naar vorige pagina...

© Bert Rodiers