De zwart-gele gal van Jacques Brel

Johan Anthierens

 
 

Zuidzee, alleen professionele Vlamingvreters voelen zich nu door de duivelse vaandrig, met zijn wereldpopulariteit, aangemoedigd om de hatelijke weg verder in te slaan. Brel heeft voor mij gelijk waar hij het Vlaams kapittelt, maar van het Belgisch‑Frans ben ik ook niet kapot en ik weet hoe minachtend Parijs op die surrogaattaal neerblikt. Waar ik de chansonnier niet volgen kan is waar hij zich na jaren van meditatie weer plompverloren in die ridicule taalstrijd gooit. Hoe vaak droom ik er niet van die Belgische etterbuil te ontvluchten, als ik het geld had roeide ik Brel achterna, niet om hem op te zoeken, maar om de Belgische benepenheid achter mij te laten. Ik verwachtte van Brel dat het solitair dolen over de zeeën zijn geest zou gezuiverd hebben, dat we een wijze filosoof zouden terugvinden, helaas, ik moet zoals Lucien Rioux in „Le Nouvel Observateur" tot de bevinding komen dat Jacques zijn obsessies met zich meezeult. Nooit heeft een man die ik in het gelijk stellen moet mij zo ontgoocheld.

Vuist in eigen boezem, s.v.p.

Dit gezegd zijnde, vind ik dat wij zijn schimpscheut moeten aangrijpen, als een signalement om eindelijk de hand in eigen boezem te steken. Jeroen Brouwers in Nederland en Brel in de wereld zijn exponenten van een kijk op Vlaanderen die niet mals is. In plaats van Brouwers, die ik persoonlijk weinig sympathiek vind, in het diskrediet te maneuvreren en in plaats van Brel uit te drijven en zijn kritiek monddood te maken, zou het geen kwaad kunnen een gewetensonderzoek in te stellen. Ogen en oren sluiten voor kritiek van buitenaf zal ons verder binnen ons geijkt gedrag opsluiten. Ik zou het toejuichen wanneer de voorzitters van Vlaamse Fondsenen Bewegingen naast betogingen waarmee ze hun eigen prestige opvijzelen studiedagen willen beleggen tijdens dewelke „De Vlaamse kwaal" onder het mes gaat. In de omringende landen bestaat een kritische pers die de eigen onvolkomenheden zonder

De foto op blz. 26 is één van de weinige die sinds Brels ballingschap van hem zijn geschoten. Links boven: een carrière in drie boezen. Links: Brel op zijn allereerste plaat (1954), ons Brussels Kuifje. Daarnaast een plaat uit 67, einde van een Bühne-bestaan, dan zijn jongste produkt en hierboven een foto van de flamingantenvreter, uit de binnenkant van de jongste hoes gelicht. Let op de fysieke gelijkenis met Flor Grammens. De foto hiernaast is van 72, tijdens de opnamen van „Le bar de la farouche".

 

 omwegen blootlegt en aan de kaak stelt. Ik volg het Franse gebeuren van dichtbij, momenteel buigt men zich daar over „Le mal français", typische Franse gebreken worden onder de loupe genomen en regelmatig verschijnen kritische essays, onder meer over het overdadige alcoholverbruik. Bij ons merk je weinig van zo'n operatief ingrijpen en dat is onze zwakte. Wij zijn als de dood voor harde waarheden, of die nu van buiten komen of uit de eigen gelederen, wij blijven teren op een voltooid verleden (getuige de Rubensfanfare vierhonderd jaar na datum) wie niet Rooms‑Vlaams is, komt moeilijker aan zijn trekken dan de anderen, het legioen deserteurs zwelt aan en gelukkig is er een Vlaamse Militanten Orde om Vlaanderen schoon te houden en om voor waardige betogingen in te staan, dixit versgebakken flamingant Willy De Clercq.

Over Brels overhoop liggen, als ik me zo mag uitdrukken, met de vrouw en over zijn aversie voor godsdienstinmenging kan ik hier niet uitweiden, ik wil besluiten met wat persoonlijke impressies betreffende enkele andere chansons op de zojuist verschenen

Vervolg...

 
KNACK - 23 november 1977

p. 4/5

 
 
   

Terug naar vorige pagina...

© Bert Rodiers