Jacques Brel en ik. JOHAN ANTHIERENS, Jacques Brel. De passie en de pijn

 

Peter Vantygehem

 
9 oktober 1978 stierf Jacques Brel. Dat is - radio en tv zullen u helpen tellen - twintig jaar geleden. Tien jaar geleden bood uitgeverij Veen een Brel-boek aan van Johan Anthierens, een fanatieke fan. Deze week verschijnt het: De passie en de pijn. Het wachten waard?


Johan Anthierens heeft de reputatie een Brel-kenner te zijn. Hij heeft ,,le grand Jacques'' twee keer geïnterviewd, en hem natuurlijk ook live aan het werk gezien. Ik ben daar behoorlijk jaloers op: Brel is al twintig jaar dood, en wij moeten het doen met cd's, videomateriaal, en de verhalen van vroeger. Brel gekend hebben lijkt me iets om later aan je kleinkinderen te vertellen.
Velen hebben geprobeerd de man te vatten. Vertalers, die in het Fries ,,O, bliuw by my'' maakten van ,,Ne me quitte pas''. Biografen zoals de afstandelijke Olivier Todd, die een leven zonder grenzen in taal probeerde te vatten. Brelologen als de bezeten Jean-Marie Favière, die Brel tegen de Vlaamse boosheid beschermt. En vrouwen, aan wie Brel maar niet trouw wilde blijven.
Anthierens is in de ban van Brel. Hij kijkt rond zich en vindt voor elk gevoel een Brel-regel. En achter elke Brel-regel lijkt hij te zien wat de zanger dacht, deed of wilde. Zo dicht bij Brel staat hij dat hij in 1989, werkend aan een biografie, al zei dat hij ,,de rotzak'' haatte om wat hij hem aandeed. ,,Er zijn momenten geweest dat ik het gevoel had mij letterlijk dood te schrijven.''

Er waren voor dit boek, dat uitkomt ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van Brels sterfdatum, twee wegen voor Anthierens. Ten eerste kon hij een compilatie maken van allerlei zaken die al geschreven zijn. Hij kon wat Brel schreef analyseren, wat anderen over Brel schreven ontleden, en Brels eigen historie achtervolgen.
Er was ook een andere mogelijkheid. Wie zo verweven zit met het leven, de persoonlijkheid en het oeuvre van een artiest, kan zichzelf op den duur wellicht niet meer losmaken van zijn onderwerp. Het boek dat Anthierens ook had kunnen schrijven moest Jacques Brel en ik heten. Geen stijve, accurate biografie, maar een persoonlijk getuigenis.
Johan Anthierens heeft voor het eerste gekozen, maar is bewust of onbewust blijven denken aan het tweede. Constant heb je de indruk dat hij Brel beleeft, en dan denk je dat die emotie de motor had kunnen zijn voor een literair samenkomen. Anthierens had kunnen reizen door Brel-land, in een lange machtige pennentrek een verhaal als nieuw doen openbloeien.
Hd.
De passie en de pijn bevat zes delen. Tussen die delen is er geen duidelijke verwantschap: niet in de volgorde, ook niet in de aard van de informatie. Veeleer heeft elk deel een aparte invalshoek, en brengt de datum van 9 oktober deze verschillende delen samen. Anthierens, alweer in 1989: ,,Ik had Brel kunnen misbruiken door mijn boek met de festiviteiten te laten samenvallen. Dan was het door elke zich respecterende publicatie de grond in geboord.'' Andere tijden, andere zeden?
Het boek, een collage dus, begint met een biografie. Een bekend verhaal natuurlijk. Anthierens legt de nadruk op de kwetsuur die Brel opliep in zijn jeugd, waarin hem zijn kinderdromen ontfutseld werden. Zoals vele popzangers is Brel dus een man die via de muziek zijn leven herschept. Zoals dat voor veel artiesten geldt, geeft kunst hem de mogelijkheid van een nieuw begin. Anthierens vertelt, interpreteert, becommentarieert dat leven.
Het leest als een trein, en die gaat soms een beetje snel. Biografieën zijn meer gebaat met rustig kabbelende cruise-schepen, die precies door hun trage vaart de lezer in staat stellen elk detail te onderscheiden en te mediteren over de samenhang, en over wat het leven van de artiest met het onze te maken heeft. Daarvoor laat Anthierens geen ruimte: hij betrekt er interviews en songteksten bij, gaat graag in op de haat-liefdeverhouding met België, en maakt Brel universeel.

Daarna volgt de ,,hit'' van het boek: de in de media al aangekondigde ontdekking van Marieke. ,,Stond ooit een vrouw van vlees en bloed model voor Marieke?'' vraagt Anthierens zich af. Hij is via de radio op een Marieke gestoten dat al decennialang zweeg, en meermaals zegt niet hét Marieke te zijn, maar toch een stem blijkt die Brel vanuit een andere hoek gestalte kan geven.
Anthierens, die zijn boek begon als auctorieel verteller, wordt ineens ghostwriter. Hij laat Marieke in de ik-vorm haar verhaal vertellen. Over hoe ze in Stalhille van een Frans jongetje (,,ik wist niet beter of hij heette Bril'') op zijn fietsje mocht rijden. Marieke groeit op bij Marie, Vlaams vertelster van sterke fabels. Ze ontmoet Godfried Bomans, die haar Lotusbloem noemt. Ze stond model voor Permeke en trotseert zo de tijd in zijn tuin te Jabbeke.
Het verhaal van Marieke is een vlotte vertelling die menigeen met heimwee naar jeugd, onschuld en het Vlaanderen van voor Windows 95, zal plezieren. Ze is frank, draagt het hart op de tong, en je voelt dat Anthierens denkt dat Brel voor die kwaliteiten viel. Het Marieke vermoedt dat ze bepaalde songs van Brel zag ontstaan (,,Le bon dieu'', ,,Les F...'') en zelfs inspireerde (,,Les Flamandes''), getuigt van Brel privé, maar denkt niet dat ze meer dan ,,een Marieke'' was. Er was geen relatie.
Voegt zo'n verhaal iets toe aan de figuur van Jacques Brel? Geenszins. Het is een techniek om een bekend verhaal vanuit een andere hoek te bekijken, zoals we in Amadeus Mozart zien vanuit het standpunt van zijn jaloerse rivaal Salieri. Ik heb het verhaal weliswaar graag gelezen, maar vroeg me na lectuur af wat nu de bedoeling ervan was. Biografisch biedt het niets /*toe*/extra's. De nostalgische ondertoon holt het wat uit.

Na die twee verhalende stukken wordt de verteller Anthierens exegeet/* te worden*/. In het derde hoofdstuk, ,,De lange liedjeslaan'', probeert hij het oeuvre van Brel te doorgronden. De zanger schreef zo'n vijfhonderd chansons, waarvan er 192 mochten blijven. Dat repertoire is een eenmansbijbel, vindt Anthierens, en meteen slaat hij een ontledende toon aan. Een bijbel lees je niet, je interpreteert hem. In het derde hoofdstuk krijgt de lezer les.
Ik twijfel er niet aan dat Johan Anthierens de 192 bekende chansons als weinig anderen doorgrondt. Hij is vooreerst Vlaming, heeft vervolgens veel affiniteit met Brussel, onderhoudt naar ik vermoed een identieke tweeslachtige relatie met zijn land, en bezit de gevoeligheid van de artiest. Bovendien is hij journalist, weet hij informatie uiteen te rafelen in verstaanbare nieuwe informatie. Dat alles zou zo'n exegese boeiend moeten maken.
Het hoofdstuk is evenwel wat ongelukkig, zelfs slordig opgebouwd. Twintig chansons worden over een aantal thema's verdeeld. Dat zijn: herinneringen aan zijn eigen leven, de oorlog met het andere geslacht, het verdriet om kapotgemaakte liefde, de mannelijke camaraderie, de hoofdsteden van de lage landen, de Vlaamse kwestie, de dood en ten slotte, hors catégorie: het sleutellied ,,Au suivant''.
Is het materiaal op zich boeiend, dan stoort de aanpak in de context van het hele boek. Alweer lijkt dit een apart essay, en bedenk je als lezer dat de rijke informatie die Anthierens bezit meer tot leven had kunnen komen in één lang werk met inhoudelijke en stilistische eenheid. Nu is het aanschuiven aan een voordracht die subtiliteiten uitlegt, randinformatie aanreikt, de dichter in een poëtische canon zoekt onder te brengen.
Zou ,,Ne me quitte pas'' geen afschaduwing kunnen zijn van ,,Le dernier poème'' van de surrealistische dichter Robert Desnos? Zou Brel op zijn beurt met dat lied Ida Gerhardt niet beïnvloed hebben in haar ,,De gestorvene''. Anthierens verlaat vaak het pad van de strikte analyse, maakt er een totaalvisie van waarin cultuurkritiek, receptie-esthetica, tekstanalyse, persoonlijke commentaar en filosofie als in een veldboeket in elkaar warren.
Zo draagt het boeket de onbestemde geur van te veel bloemen samen. De schrijver is te weinig dichter om een totaal nieuwe visie te schrijven in een eigen taal. Hij is te weinig wetenschapper om, zoals in een recent Beatles-boek, elk lied van Brel een nummer te geven en telkens een accurate bijdrage te schrijven met alles erop en eraan, wat ten minste toelaat gericht te zoeken en vlot te vinden. De lange liedjeslaan is schemerig en kronkelig.

Daarna zakt het boek helemaal in elkaar. In hoofdstuk vier worden vijftien liedjesteksten afgedrukt. Waarom vijftien? ,,Omdat vijftig budgettair niet haalbaar was.'' Anthierens voegt er wat vertalingen bij, wat in het geval van Afrikaanse, Nederlandse, Engelse, Kruishoutemse en Friese versies van ,,Ne me quitte pas'' leuk is, maar niet meer oplevert dan voer voor verzamelaars. Enkele handgeschreven versies en een schoolopstel voeren ons uiteindelijk de wereld van de facsimile binnen.
Interessant zijn wel de enkele opmerkingen die Anthierens plaatst over de moeilijkheid om Brels Franse taal om te zetten - het woordspel is te subtiel - en over de problemen die bestaan om de enkele onuitgegeven chansons uit de laatste sessies toch aan het publiek te geven. Anthierens wikt en weegt over die laatste kwestie en pleit voor uitgave, in de vorm van documenten.
In het vijfde hoofdstuk treedt de compilator aan. Brel heeft zich in zijn carrière een paar honderd keer geleend voor een interview - gelukkige man: in deze tijd zou hij er niet zo makkelijk van afgekomen zijn - en Anthierens heeft uit een twintigtal van die gesprekken stukjes geplukt en die vervolgens aan elkaar geplakt. Twee constanten daarin: Brel als ongeboren romanschrijver, en de zanger die niet aan zijn publiek verslaafd was.
Zo krijgen we ons volgende perspectief: dat van Brel zelf. De zanger vertelt in een periode van zestien jaar over leven, werk en liefdes. Het plakwerk is chronologisch en gemanipuleerd, in die zin dat Anthierens enkel overnam wat hem zinnig leek. Het levert een aantal treffende, scherpe uitspraken op, een aantal oneliners ook. Brel concentré, zou je dit hoofdstuk kunnen noemen.
Wat verafschuwt Brel het meest? ,,De domoren. Je hebt er geen vat op. Dus moet je hard terugslaan en overal met de dommen de draak steken'' (1957). ,,La valse mille temps, dat is een uit de mouw geschudde parodie op de walsmuziek en dat gaat nu met het leeuwenaandeel van het succes lopen. Tot mijn eigen verbazing.'' (1959). ,,Ik ben mijn eigen mikpunt. Als ik tegen Les Bourgeois uitvaar, zet ik mij af tegen de bourgeois in mij.'' (1963). Enzovoort.

Wat ik tot pagina 215 mis in De passie en de pijn is de belofte van de titel. De passie en de pijn zijn zo gefragmenteerd, dat Jacques Brel als verschillende delen van een lichaam gedissecteerd op de leestafel ligt en zijn ziel ergens in een hoekje van de kamer fladdert, op zoek naar een doel. Na de biograaf, de ghostwriter, de exegeet, de verzamelaar en de compilator te hebben gehoord, treedt Johan Anthierens in het laatste hoofdstuk zelf naar voren.
,,Op een kruimel in de oceaan'' is een lang, literair aandoend verslag van een reis van de auteur naar Hiva Oa, het ,,aarsgat van de wereld'' in de Markiezen, waar de drenkeling Brel zijn splendid isolation zocht. Voorafgegaan door het treffende Gezelle-citaat ,,Gij badt op eenen berg alleen'' gaat Anthierens eindelijk de confrontatie aan. Hij vertrekt op 30 november 1997 naar Hiva Oa: een week in tijd, maar wat is tijd in een reis die een half /*leven */bestaan tot leven /*komt*/wekt?
Hoe geforceerd het soms ook overkomt dat de auteur */in zijn banaalste handelingen in zijn banaalste handelingen /*te horen */liedjes projecteert, Anthierens komt hier ten minste dicht bij zijn onderwerp. Het reisverslag is persoonlijk, bevat overpeinzingen en culturele achtergrond, verwijst naar de schilder Gauguin, die er ook leefde en stierf, plakt het liedje ,,Les Marquises'' op de ruimte en mensen aldaar, vist stukjes leven van Brel op en laat alles sudderen op het vuur van zijn emoties.
Groots is het niet, gemeend wel. Op de groove van zijn eigen ervaring bouwt Anthierens een lied dat melancholisch zingt. Brel wordt het alibi om over het leven te denken, er ontstaat iets dat naar een roman geurt, en inleving wordt mogelijk. De vele beschrijvingen verlenen het stuk een wat filmisch karakter, en uiteindelijk heeft de auteur een laatste tte--tte met zijn idool, bij het graf.

Gemiste kans? Johan Anthierens koos er vermoedelijk voor niet een klassieke biografie te schrijven, omdat die al bestaat. Ik blijf met het gevoel zitten dat het boek de datum van die twintigste verjaardag moest halen en zo enigszins gebruuskeerd geboren werd. Maar toch ben ik ook wat dichter bij Brel gekomen via de woorden van deze bewonderaar. De passie en de pijn, daar zorgt voor altijd de muziek voor.

JOHAN ANTHIERENS, Jacques Brel. De passie en de pijn, Veen, Amsterdam, 280 blz.
 
 
Peter Vantygehem / De Standaard - Gepubliceerd met toelating van de auteur/krant.
Oorspronkelijk opgenomen in De Standaard der Letteren [De Standaard, 2 oktober 1998]
 
 
   

Terug naar vorige pagina...

Bert Rodiers