| |
| Een
groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat van, want als
je een dichtertje bent, dan lopen de mooiste meisjes altijd aan den overkant
van de gracht. En zoo werd z'n hele leven één gedicht, wat ook vervelend
wordt.
(uit: Nescio, Dichtertje, Nijgh & Van Ditmar,
Amsterdam)
|
|
Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam,
is hij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de gaten.
'Maak je niet druk, ouwe jongen,' had Japi gezegd, en toen was i er afgestapt
met zijn gezicht naar het Noord-Oosten. Springen kon je het niet noemen,
had de man gezegd, hij was er afgestapt.
(uit: Nescio,
De uitvreter, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam)
|
 |
|
|
Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu
veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden
is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten
zien hoe 't moest.
(uit: Nescio,
Titaantjes, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam)
|
|
'O God,' denkt i, 'als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens ineens
van al die vrouwen al de kleeren afvielen?' Een dichtertje dat den waanzin
nabij is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn
lezeressen... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.
(uit: Nescio,
Dichtertje, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam)
|
Nieuwigheden op deze website
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|
|